Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
13 februari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of de vordering van ABN AMRO tot betaling van een restschuld uit hoofde van een hypothecaire geldlening is verjaard. De lening werd in 2007 gesloten en in 2010 opgeëist wegens betalingsachterstand, waarna executoriaal loonbeslag werd gelegd. De woning werd in 2012 executoriaal verkocht, waarbij een restschuld overbleef.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:307 lid 1 BW Pro geldt voor de restschuld, omdat het hypotheekrecht door uitwinning is tenietgegaan. De verjaring is gestuit door de executoriale verkoop in 2012, waarna een nieuwe termijn begon te lopen. ABN AMRO heeft maandelijks het loonbeslag geïnd, wat het hof als een voortdurende daad van rechtsvervolging kwalificeerde die de verjaring telkens stuit.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de maandelijkse inning van het loonbeslag een daad van executie is die gericht is op het geldend maken van het vorderingsrecht. Hierdoor is de verjaring telkens gestuit en is de vordering niet verjaard. Het hof heeft terecht geoordeeld dat ABN AMRO geen aanvullende stuitingshandelingen hoefde te verrichten zolang het loonbeslag werd uitgevoerd.
Het incidentele cassatieberoep van ABN AMRO wordt niet behandeld omdat het principale beroep wordt verworpen. De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de maandelijkse inning van het executoriaal loonbeslag de verjaring stuit en de vordering van ABN AMRO niet is verjaard.