ECLI:NL:HR:2026:136

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
24/01455
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de aftrekbaarheid van giften aan buitenlandse instellingen in het kader van de inkomstenbelasting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de aftrekbaarheid van giften aan buitenlandse instellingen in het kader van de inkomstenbelasting. De belanghebbende, die in 2020 binnenlands belastingplichtig was, had giften gedaan aan instellingen in Duitsland en Zwitserland. Deze instellingen waren niet geregistreerd als algemeen nut beogende instellingen (anbi) in Nederland, wat leidde tot de vraag of de giften aftrekbaar waren voor de Nederlandse belastingwetgeving. De belanghebbende stelde dat de registratievoorwaarde in strijd was met het Unierecht, specifiek de vrijheid van kapitaalverkeer, en dat de buitenlandse instellingen niet onredelijk belast moesten worden met de aanvraagprocedure voor anbi-status in Nederland.

Het Gerechtshof Amsterdam had eerder geoordeeld dat er geen schending van het Unierecht was, omdat de Nederlandse wet geen onderscheid maakt tussen giften aan in Nederland of daarbuiten gevestigde anbi's. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de registratievoorwaarde niet in strijd was met het EU-recht. De Hoge Raad concludeerde dat de registratievoorwaarde een voldoende rechtvaardiging had en dat er geen belemmering was voor het vrije verkeer van kapitaal. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en zag geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01455
Datum30 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 maart 2024, nr. 23/179 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 21/5004) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 18 april 2025 geconcludeerd tot schorsing van het geding en tot het op de voet van artikel 267 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorleggen van een prejudiciële vraag. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende was in 2020 binnenlands belastingplichtig voor de Wet IB 2001. Hij heeft in 2020 giften gedaan aan instellingen die zijn gevestigd in Duitsland en Zwitserland. De instellingen hebben de Inspecteur niet op de voet van artikel 5b, lid 6, AWR verzocht om bij voor bezwaar vatbare beschikking te worden aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling (hierna: anbi) als bedoeld in dat artikel. Zij voldoen als gevolg daarvan niet aan de in het eerste lid van dat artikel onder 5° gestelde voorwaarde (tekst 2020; hierna: de registratievoorwaarde), en zijn daarom voor de toepassing van de Nederlandse belastingwetgeving niet aan te merken als anbi. Op grond van de Nederlandse wetgeving (artikel 6.35 Wet IB 2001 in samenhang met artikel 6.33, aanhef en letter b, en artikel 6.32 van die wet), vormen deze giften voor de heffing van inkomstenbelasting daardoor geen aftrekbare giften.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of de registratievoorwaarde in dit geval op grond van het Unierecht (de vrijheid van kapitaalverkeer) buiten toepassing moet blijven, en de giften aan de in Duitsland en Zwitserland gevestigde instellingen daardoor in aftrek van het inkomen kunnen komen.
3.2
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zich in dit geval een schending van het Unierecht voordoet. Hij voert daartoe aan dat de buitenlandse instellingen waaraan hij de giften heeft gedaan door de bevoegde buitenlandse belastingautoriteiten naar buitenlandse maatstaven zijn erkend als algemeen nut beogend. Hij voert verder aan dat die buitenlandse instellingen ook voldoen aan de Nederlandse materiële voorwaarden om een anbi-status te verkrijgen. Dat zij in Nederland geen anbi-status hebben aangevraagd, kan volgens belanghebbende geen grond zijn om de aftrek te weigeren. Van buitenlandse instellingen kan, vanwege de bewerkelijkheid van het traject, namelijk niet in redelijkheid worden verlangd dat zij in Nederland een anbi-status aanvragen, aldus belanghebbende.
3.3.1
Het Hof heeft geoordeeld dat zich in dit geval geen schending van het Unierecht voordoet.
3.3.2
Het Hof heeft daartoe overwogen dat de Nederlandse wet niet een onderscheid maakt tussen giften aan een in Nederland of daarbuiten gevestigde anbi. Van een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal in juridisch opzicht is daardoor geen sprake, aangezien zowel in Nederland als in andere EU-lidstaten gevestigde instellingen kunnen verzoeken om als anbi te worden aangemerkt. Het Hof heeft ook het bestaan van een feitelijke belemmering van het vrije kapitaalverkeer niet aannemelijk geacht.
3.3.3
Voor zover belanghebbende stelt dat het in aanmerking komen voor giftenaftrek ter zake van giften aan de hiervoor in 2 bedoelde instellingen praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt, is deze stelling volgens het Hof in feitelijke zin niet voldoende onderbouwd.
3.3.4
Het Hof heeft verder overwogen dat een voldoende rechtvaardiging bestaat voor de registratievoorwaarde, aangezien de wetgever deze voorwaarde heeft gesteld om de handhaafbaarheid van de controle op instellingen zo goed mogelijk te waarborgen.
3.3.5
Het Hof is op grond van dit een en ander tot de slotsom gekomen dat het EU-rechtelijke evenredigheids- en doeltreffendheidsbeginsel in dit geval niet zijn geschonden.

4.Beoordeling van de klachten

4.1
De eerste klacht is gericht tegen de hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 weergegeven oordelen van het Hof. De klacht betoogt dat artikel 63 VWEU is geschonden aangezien uit het arrest van het Hof van Justitie van 27 januari 2009, Persche, C-318/07, ECLI:EU:C:2009:33 (hierna: het arrest Persche) volgt dat Nederland fiscale voordelen voor giften aan instellingen die in een andere lidstaat als instellingen van algemeen nut zijn erkend, niet mag weigeren enkel omdat Nederland niet de mogelijkheid zou hebben bij de begiftigde instelling na te gaan of is voldaan aan de eisen van de wetgeving van de lidstaat waar die instelling is gevestigd. Volgens de klacht moet belanghebbende als gever kunnen bewijzen dat de hiervoor in 2 bedoelde instellingen voldoen aan de voorwaarden voor erkenning als anbi. De klacht geeft de Hoge Raad in overweging een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.
4.2
Deze klacht faalt. Anders dan aan de orde was in het arrest Persche, zijn de hiervoor in 2 bedoelde instellingen niet uitgesloten van de anbi-regeling op grond van de omstandigheid dat zij in het buitenland zijn gevestigd. De registratievoorwaarde maakt immers juridisch geen onderscheid naar vestigingsplaats. Ook leidt zij niet tot een indirect onderscheid naar vestigingsplaats. Het betreft geen voorwaarde die naar haar aard, gelet op de kenmerken ervan, in het buitenland gevestigde instellingen meer treft dan in Nederland gevestigde instellingen. [3] Om dezelfde reden kan een indirect onderscheid naar vestigingsplaats niet worden aangenomen op grond van de omstandigheid dat een in Nederland woonachtige of gevestigde belastingplichtige mogelijk minder snel zal zijn geneigd een gift te doen aan een niet-ingezeten algemeen nut beogende instelling die niet is geregistreerd als anbi.
4.3.1
De tweede klacht richt zich tegen het hiervoor in 3.3.3 weergegeven oordeel van het Hof. Met dat oordeel heeft het Hof het betoog van belanghebbende verworpen dat de procedure voor aanvraag van een registratie als anbi in Nederland onredelijk bezwarend is voor een in het buitenland gevestigde instelling.
4.3.2
Op de gronden vermeld in onderdeel 8.26 van de conclusie van de Advocaat-Generaal faalt de klacht voor zover deze is gebaseerd op het argument dat de aanvraag in de Nederlandse taal zou moeten worden gedaan.
4.3.3
De tweede klacht faalt eveneens voor zover die is gebaseerd op het argument dat de aanvraagprocedure bewerkelijk is, en dat dit met name een belemmering vormt voor het doen van een aanvraag door instellingen als de onderhavige, die slechts weinig in het buitenland wonende of gevestigde begunstigers hebben die bovendien over verschillende landen zijn verspreid. De aanvraagprocedure is even bewerkelijk voor in Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen, ook indien een dergelijke instelling slechts weinig in Nederland wonende of gevestigde begunstigers heeft. Van de voorwaarden die de Nederlandse wettelijke regeling in het kader van de aanvraagprocedure stelt, kan niet worden gezegd dat die voorwaarden per definitie of in feite voornamelijk slechts kunnen worden vervuld door in Nederland gevestigde instellingen, en evenmin dat niet-ingezeten instellingen daardoor in feite van die regeling worden uitgesloten doordat het voor hen onmogelijk of uiterst moeilijk zou zijn om aan die voorwaarden te voldoen. [4]
4.4
Gelet op het voorgaande is het niet voor redelijke twijfel vatbaar dat artikel 63 VWEU niet is geschonden. De Hoge Raad ziet daarom geen aanleiding voor het stellen van een prejudiciële vraag, zoals door belanghebbende verzocht.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.

Voetnoten

3.Vgl. HvJ 1 juni 2010, Blanco Pérez en Chao Gómez, C-570/07 en C-571/107, ECLI:EU:C:2010:300, punt 119, HvJ 9 september 2021, Real Vida Seguros SA, C-449/20, ECLI:EU:C:2021:721, punt 22, en HvJ 4 oktober 2024, X, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822, punt 38.
4.Vgl. HvJ 30 januari 2020, Deka, C-156/17, ECLI:EU:C:2020:51, punt 55 tot en met 60 en punt 62.