ECLI:NL:HR:2026:136
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen schending EU-recht bij registratievoorwaarde giften aan buitenlandse ANBI's
Belanghebbende was in 2020 binnenlands belastingplichtig en deed giften aan instellingen in Duitsland en Zwitserland die niet als ANBI geregistreerd waren volgens de Nederlandse wetgeving. Hierdoor werden deze giften niet als aftrekbaar erkend voor de inkomstenbelasting.
Het geschil betrof de vraag of de registratievoorwaarde in strijd is met het EU-recht, met name de vrijheid van kapitaalverkeer. Belanghebbende stelde dat de buitenlandse instellingen wel erkend waren als algemeen nut beogend in hun eigen landen en dat het onredelijk was om te eisen dat zij in Nederland een ANBI-status aanvragen.
Het Hof oordeelde dat de Nederlandse wet geen onderscheid maakt naar vestigingsplaats en dat er geen indirecte discriminatie of belemmering van het kapitaalverkeer is. Ook vond het Hof dat de registratievoorwaarde gerechtvaardigd is om de handhaafbaarheid van controle te waarborgen.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en wijst klachten af die stelden dat artikel 63 VWEU Pro werd geschonden. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de registratievoorwaarde voor giftenaftrek aan buitenlandse instellingen geen schending van het EU-recht vormt.