ECLI:NL:HR:2026:136
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatie over de aftrekbaarheid van giften aan buitenlandse instellingen in het kader van de inkomstenbelasting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de aftrekbaarheid van giften aan buitenlandse instellingen in het kader van de inkomstenbelasting. De belanghebbende, die in 2020 binnenlands belastingplichtig was, had giften gedaan aan instellingen in Duitsland en Zwitserland. Deze instellingen waren niet geregistreerd als algemeen nut beogende instellingen (anbi) in Nederland, wat leidde tot de vraag of de giften aftrekbaar waren voor de Nederlandse belastingwetgeving. De belanghebbende stelde dat de registratievoorwaarde in strijd was met het Unierecht, specifiek de vrijheid van kapitaalverkeer, en dat de buitenlandse instellingen niet onredelijk belast moesten worden met de aanvraagprocedure voor anbi-status in Nederland.
Het Gerechtshof Amsterdam had eerder geoordeeld dat er geen schending van het Unierecht was, omdat de Nederlandse wet geen onderscheid maakt tussen giften aan in Nederland of daarbuiten gevestigde anbi's. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de registratievoorwaarde niet in strijd was met het EU-recht. De Hoge Raad concludeerde dat de registratievoorwaarde een voldoende rechtvaardiging had en dat er geen belemmering was voor het vrije verkeer van kapitaal. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en zag geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.