ECLI:NL:HR:2025:90

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2025
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
24/01216
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225, lid 2, Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over parkeerbelasting bij laden en lossen in Rotterdam

Het College van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam legde aan belanghebbende, die pakketten groente en fruit bezorgt, twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting op omdat een busje op parkeerplaatsen stond zonder dat parkeerbelasting was voldaan. Het Hof Den Haag oordeelde dat het laden en lossen van de pakketten onder de uitzondering van parkeren viel, omdat de pakketten van zodanige omvang en gewicht waren dat bezorging anders dan per auto niet realistisch was.

De Hoge Raad stelt echter dat het Hof ten onrechte zijn oordeel baseerde op algemene gegevens over de pakketten en het vervoer, in plaats van op de feitelijke lading en lossing op de specifieke momenten van controle. Ook mocht het Hof niet meewegen dat er pakketten voor andere adressen in het voertuig zaten. De Hoge Raad benadrukt dat voor de uitzondering van parkeren het daadwerkelijke laden en lossen van zaken van voldoende omvang en gewicht op het moment van stilstand moet worden vastgesteld.

Omdat uit de stukken niet blijkt hoeveel en welke pakketten op de controleplaatsen zijn geladen of gelost, vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. De bewijslast ligt bij de heffingsambtenaar voor het stilstaan zonder betaling, en bij belanghebbende voor het beroep op de uitzondering van onmiddellijk laden en lossen.

De Hoge Raad wijst proceskostenveroordeling af en spreekt het arrest uit op 17 januari 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01216
Datum17 januari 2025
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 februari 2024, nrs. BK-23/233 en BK-23/234 [1] , op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 22/478 en ROT 22/479) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting.

1.Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende levert pakketten met groente en fruit. Hiervoor rijden busjes rond om bij haar klanten de pakketten af te leveren en de lege verpakkingen van eerder afgeleverde pakketten terug te nemen.
2.2
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd omdat een busje van belanghebbende op 10 respectievelijk 22 september 2021 stil stond op een parkeerplaats die was aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd, terwijl tijdens een controle met een scanauto is geconstateerd dat op het moment van de controle geen parkeerbelasting was voldaan.
2.3
Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen was de heffing van parkeerbelasting in de gemeente Rotterdam gereguleerd in de gemeentelijke Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2021 (hierna: de Verordening). Volgens artikel 1 van Pro de Verordening wordt onder parkeren verstaan:
“gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het (...) onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden”.
Deze bepaling is vrijwel gelijkluidend aan artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of op de hiervoor in 2.2 bedoelde data, toen het busje stil stond, sprake was van parkeren of van onmiddellijk laden en lossen als bedoeld in de Verordening.
3.2
Het Hof heeft vooropgesteld dat onder het begrip “onmiddellijk laden en lossen” moet worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Daarbij heeft het Hof verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445 en 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760.
3.3
Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat een medium ‘combibox’ van het type dat belanghebbende levert, 1.200 tot 1.500 gram groenten bevat en daarnaast een ‘bijgroente’ en fruit voor twee personen voor drie dagen, dat het grootste pakket 3.200 tot 4.000 gram groente bevat en daarnaast ‘bijgroenten’ voor vier personen voor vier dagen, en dat een fruitpakket in totaal 2 à 2,5 kilo weegt en in combinatie met een groentepakket kan worden besteld. Verder heeft het Hof vastgesteld dat de bestellingen kunnen worden aangevuld met andere producten uit de webwinkel van belanghebbende, dat het formaat van de kistjes waarin de pakketten worden geleverd 40 bij 31 cm is en dat de hoogte van de kistjes afhangt van de bestelling en minimaal 10,5 cm is.
3.4
Het Hof heeft geoordeeld dat de pakketten die belanghebbende bezorgt van een zodanige omvang of gewicht zijn dat zij niet of bezwaarlijk anders dan per auto kunnen worden gebracht. Daaraan heeft het Hof ten grondslag gelegd dat bezorging per fiets of bromfiets van de pakketten niet realistisch is, zeker niet nu belanghebbende ook lege verpakkingen terugneemt. Verder moet volgens het Hof rekening worden gehouden met het feit dat belanghebbende ook pakketten ter bezorging bij andere klanten bij zich had. Het bezorgen van de pakketten en het terugnemen van lege verpakkingen kan ook om die reden bezwaarlijk anders dan per auto worden uitgevoerd. Dat geldt ook in het geval zich daartussen pakketten bevinden die afzonderlijk beschouwd ook op een andere wijze dan per auto hadden kunnen worden gebracht, aldus het Hof.

4.Beoordeling van het middel

4.1
Het middel bestrijdt het hiervoor in 3.4 bedoelde oordeel van het Hof. Het betoogt daartoe onder meer dat het Hof zijn oordeel ten onrechte niet heeft gebaseerd op datgene wat op het moment van de controle daadwerkelijk is gelost en geladen, maar slechts op hetgeen belanghebbende in zijn algemeenheid over het afleveren van pakketten heeft aangevoerd. Verder betoogt het middel dat het Hof ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat zich in het busje van belanghebbende ook pakketten bevonden die bestemd waren voor aflevering op andere adressen.
4.2
In zoverre slaagt het middel. Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre het doen of laten stilstaan van een voertuig nodig is voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken in de zin van artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet en de op dit punt gelijkluidende Verordening, moet worden beoordeeld of de gedurende het stilstaan van het voertuig te laden of te lossen zaken van een zodanige omvang of gewicht zijn, dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Het is dus niet van belang of zich in het voertuig andere zaken bevinden, hebben bevonden of zullen bevinden die op een andere plaats zijn of zullen worden geladen of gelost. Het Hof heeft dit miskend.
4.3
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen aangezien niet zonder meer uit de gedingstukken volgt hoeveel pakketten van welke omvang en welk gewicht zijn geladen of gelost op elk van beide plaatsen waar de auto stilstond.
4.4
Met het oog op de procedure na verwijzing overweegt de Hoge Raad nog het volgende. Op de heffingsambtenaar rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het feit dat een voertuig heeft stilgestaan op een daartoe door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats, zonder dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. In dit geval is niet in geschil dat de heffingsambtenaar dit bewijs heeft geleverd. Indien de belanghebbende, zoals in dit geval, zich erop beroept dat geen parkeerbelasting is verschuldigd omdat sprake was van onmiddellijk laden en lossen van goederen, rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de daarvoor benodigde feiten op die belanghebbende.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met in achtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.