Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 januari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft eiser cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin werd geoordeeld over de bevoegdheid van de politie om te besluiten een tolk-vertaler niet langer in te zetten voor politiewerkzaamheden. De kwestie betrof de vraag of deze beslissing onbevoegd was genomen, mede in het licht van mandaatbesluiten en de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Hoge Raad verwijst voor het geding in de feitelijke instanties naar het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 mei 2022 en het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 oktober 2023. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van eiser schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij is overwogen dat het niet nodig is om de klachten nader te motiveren omdat zij niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie, begroot op een totaal van €10.406,-- vermeerderd met wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen voldaan. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bevoegdheid van de politie om de inzet van de tolk-vertaler te beëindigen.