ECLI:NL:HR:2025:672
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad wijst verzoek rentevergoeding bij box 3-heffing af ondanks schending EVRM
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de box 3-heffing over het jaar 2018. De erflater had bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen wegens strijd met artikel 14 EVRM Pro en artikel 1 EP Pro. Na het arrest van 24 december 2021 werd de aanslag verminderd op basis van de Wet rechtsherstel box 3.
Het geschil betrof of de Herstelwet het vereiste rechtsherstel bood en of de rechtbank terecht een rentevergoeding aan belanghebbenden had toegekend. Het hof oordeelde dat de compensatie moest aansluiten bij het werkelijk behaalde rendement en dat rentevergoeding niet op grond van artikel 30fe AWR werd toegekend, maar wel op grond van artikel 13 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet hoefde te motiveren waarom het rechtsherstel voldeed en vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de rentevergoeding. De Hoge Raad wees het verzoek om rentevergoeding af omdat geen aanleiding bestond af te wijken van de nationale wetgeving. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek om rentevergoeding af en vernietigt het hofarrest voor zover het de rentevergoeding betreft.