Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
18 maart 2025.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor bedreiging met zware mishandeling en belediging van een buitengewoon opsporingsambtenaar.
Het hof had bewezen verklaard dat verdachte op 7 mei 2020 de benadeelde, werkzaam als toezichthouder en BOA, op korte afstand in het gezicht had geblazen en daarbij dreigend 'corona' riep, zonder mondkapje te dragen. Tevens werd bewezen verklaard dat verdachte de benadeelde beledigde met grove woorden. De benadeelde partij vorderde immateriële schadevergoeding wegens de psychische gevolgen van de bedreiging en belediging.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de immateriële schadevergoeding van € 500 had toegewezen, maar onvoldoende had gemotiveerd op welke grondslag uit artikel 6:106 BW Pro en op welke omstandigheden dit was gebaseerd. Hierdoor kon ook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor wat betreft de schadevergoeding en taakstrafduur en wees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
De overige klachten van het cassatieberoep werden verworpen. Het arrest werd gewezen door vice-president V. van den Brink en raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt deels arrest hof, vermindert taakstraf en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling immateriële schadevergoeding.