Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
11 maart 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een poging tot doodslag op een oudere vrouw waarbij verdachte ervan wordt verdacht het kussen op het gezicht van het slachtoffer te hebben gedrukt terwijl zij sliep. Het DNA van verdachte werd op het kussen aangetroffen, maar ook DNA van een onbekende man. De verdediging voerde aan dat deze onbekende man mogelijk de dader was en dat het DNA van verdachte via indirecte overdracht op het kussen terecht kon zijn gekomen.
Het hof achtte het bewezen dat verdachte de dader was, onder meer omdat het DNA van verdachte op cruciale plekken van het kussen werd gevonden en het hof aannemelijk achtte dat dit niet op een andere wijze dan door het delict kon zijn gebeurd. Het hof motiveerde echter niet waarom het DNA van de onbekende man niet op dezelfde wijze verklaard kon worden, noch waarom het scenario dat verdachte ook het DNA van die onbekende man in de slaapkamer heeft achtergelaten waarschijnlijker was dan het omgekeerde.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2 Sv Pro onvoldoende redenen heeft gegeven voor het afwijken van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat niet verdachte maar de onbekende man de dader is. Hierdoor wordt het arrest van het hof vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: Arrest hof vernietigd wegens onvoldoende motivering over DNA-bewijs; zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.