ECLI:NL:HR:2025:210

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2025
Publicatiedatum
10 februari 2025
Zaaknummer
24/00897
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.10 SvArt. 552a SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beschikking klaagschrift Europees onderzoeksbevel

De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 maart 2024. Deze beschikking betrof de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van beslag op diverse goederen onder een derde op grond van een Europees onderzoeksbevel van Belgische autoriteiten.

De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de klaagster beoordeeld, waarbij de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en ziet geen noodzaak tot motivering omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, samen met raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 februari 2025. Het beroep wordt verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00897 Br
Datum11 februari 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 maart 2024, nummer RK 23/018331, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 februari 2025.