ECLI:NL:HR:2025:1951

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
23/04392
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heffing van griffierecht in cassatie en samenhang tussen procedures

In deze zaak heeft belanghebbende, aangeduid als [X], beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023. Deze uitspraak betrof het hoger beroep van belanghebbende tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Amsterdam met betrekking tot beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2017 en 2018. Belanghebbende heeft in cassatie betoogd dat er slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is, omdat er volgens hem sprake is van samenhang tussen twee procedures, die beide door hem zijn aangespannen.

De Hoge Raad heeft de argumenten van belanghebbende beoordeeld en vastgesteld dat voor een beperking van het griffierecht op grond van artikel 8:41, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist is dat de zaken niet alleen inhoudelijk maar ook in tijd samenhangen. De Hoge Raad concludeert dat aan deze vereisten niet is voldaan, aangezien de beroepen in cassatie niet door middel van één beroepschrift zijn ingesteld. Daarom ziet de Hoge Raad geen aanleiding om het door belanghebbende betaalde griffierecht voor een van beide zaken terug te betalen.

De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. De Hoge Raad heeft daarom besloten het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren, zoals toegestaan onder artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken op 19 december 2025 door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04392
Datum19 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023, nrs. 21/01131 en 21/01132 op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. AMS 20/3332 en AMS 20/3333) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2017 en 2018.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.De heffing van griffierecht in cassatie

2.1
Van belanghebbende is door de griffier van de Hoge Raad griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie. Van belanghebbende is door de griffier eveneens griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie met zaaknummer 23/04390. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd vanwege de volgens belanghebbende aanwezige samenhang tussen beide zaken.
2.2
Voor een beperking van het voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb is vereist dat de zaken niet alleen wat betreft de inhoud maar ook in tijd samenhangen en dat de beroepen in cassatie zijn ingesteld door dezelfde belanghebbende door middel van één beroepschrift in cassatie. [1] Aan deze vereisten is niet voldaan. De Hoge Raad ziet dan ook geen aanleiding de griffier op te dragen het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep in cassatie van een van beide zaken, aan belanghebbende terug te betalen.

3.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

Voetnoten

1.HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560, rechtsoverwegingen 3.3.4 en 3.3.5.