ECLI:NL:HR:2025:1949
Hoge Raad
- Artikel 80a RO-zaken
- Rechtspraak.nl
Heffing van griffierecht in cassatie en samenhang tussen procedures
In deze zaak heeft belanghebbende, aangeduid als [X], beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023, met nummer 21/01634. Dit hoger beroep volgde op een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 19/6634) die betrekking had op een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2016. De Hoge Raad heeft zich gebogen over de vraag of de heffing van griffierecht in cassatie voor twee procedures, die door dezelfde belanghebbende zijn ingesteld, kan worden beperkt op basis van artikel 8:41, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Belanghebbende stelde dat er sprake was van samenhang tussen de twee zaken, waardoor slechts eenmaal griffierecht verschuldigd zou zijn. De Hoge Raad oordeelde echter dat voor een beperking van het griffierecht vereist is dat de zaken niet alleen inhoudelijk maar ook in tijd samenhangen en dat de beroepen in cassatie zijn ingesteld door middel van één beroepschrift. Aangezien aan deze vereisten niet was voldaan, zag de Hoge Raad geen aanleiding om het betaalde griffierecht terug te betalen.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende over de uitspraak van het Hof beoordeeld en kwam tot de conclusie dat het cassatieberoep duidelijk niet kon slagen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk zonder verdere motivering, zoals toegestaan onder artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad heeft geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.