4.1Het middel klaagt over het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Anders dan het Hof heeft geoordeeld is alleen relevant dat de opstal, waaronder het verkregen deel van 1 procent, op basis van de bouwkundige kenmerken kan worden aangemerkt als woning, zodat ten onrechte een tarief van 6 procent is gehanteerd, aldus het middel.
4.2.1Artikel 2, lid 1, van de Wet BRV bepaalt dat overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Overdrachtsbelasting wordt mede geheven ter zake van de verkrijging van een onverdeeld aandeel in dergelijke zaken en rechten. De Wet op belastingen van rechtsverkeer bevat geen eigen omschrijving van het begrip ‘onroerende zaken’, zodat volgens de wetsgeschiedenis daarvoor te rade moet worden gegaan bij het burgerlijke recht.
4.2.2Artikel 14, leden 2 en 6, van de Wet BRV bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, voor het verkrijgen van een woning en aanhorigheden daarvan het lagere tarief van 2 procent geldt. Onder het verkrijgen van een woning en aanhorigheden in de zin van deze bepaling moet mede worden verstaan het verkrijgen van een onverdeeld aandeel daarin.
4.2.3In een geval als dit, waarin een gebouw op percelen van verschillende grondeigenaren staat en iemand een van die percelen verkrijgt, brengt wat hiervoor in 4.2.1 is overwogen, mee dat voor de heffing van overdrachtsbelasting ter zake van die verkrijging naar civielrechtelijke maatstaven moet worden beoordeeld of en, zo ja, in hoeverre hij daarmee ook de eigendom van het gebouw heeft verkregen.
4.2.4Op grond van artikel 5:20, lid 1, letter e, BW is de eigenaar van de grond ook eigenaar van de duurzaam met die grond verenigde gebouwen (verticale natrekking), tenzij die gebouwen bestanddeel zijn van de onroerende zaak van een ander (horizontale natrekking). Dat laatste kan het geval zijn door de werking van artikel 5:3 BW. Op grond van die bepaling is de eigenaar van een onroerende zaak als regel eigenaar van alle bestanddelen van die zaak, ook als het gaat om bestanddelen die op grond van een ander staan. Volgens artikel 3:4 BW zijn bestanddelen van een zaak (i) al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van die zaak, en (ii) zaken die zodanig zijn verbonden met een hoofdzaak, dat zij niet van die hoofdzaak kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging van betekenis aan een van de betrokken zaken.
4.2.5In gevallen als hiervoor in 4.2.3 bedoeld, kunnen zich verschillende situaties voordoen:
(a) Indien iemand in zo’n geval een perceel verkrijgt waarop slechts een (gedeelte van een) bestanddeel staat van het gebouw, verkrijgt hij daarmee geen eigendom van dat gebouw, waarvan de hoofdzaak staat op de grond van een ander en daarmee eigendom is van die ander. In zo’n geval is toepassing van artikel 14, lid 2, van de Wet BRV niet aan de orde.
(b) Indien iemand in zo’n geval een perceel verkrijgt waarop de hoofdzaak van het gebouw staat, terwijl slechts een (gedeelte van een) bestanddeel daarvan op de grond van een ander staat, dan verkrijgt hij daarmee de eigendom van het gehele gebouw. Indien dat gebouw een woning is, kan het lagere tarief van de overdrachtsbelasting op de verkrijging daarvan worden toegepast.
(c) Indien iemand ten slotte in zo’n geval een perceel verkrijgt waarop een gedeelte van het gebouw staat dat niet als hoofdzaak kan worden aangemerkt en evenmin als een (gedeelte van een) bestanddeel van dat gebouw, dan verkrijgt hij daarmee een onverdeeld aandeel in de eigendom van dat gehele gebouw. Hij verkrijgt dan dus niet de volledige eigendom van het gedeelte van het gebouw dat op zijn grond staat, maar gezamenlijke eigendom van het gebouw. Voor zover de wet niet anders bepaalt, is het namelijk niet mogelijk dat iemand slechts eigenaar is van een gedeelte van een zaak, aangezien de eigenaar van een zaak op grond van artikel 5:3 BW eigenaar is van al haar bestanddelen.Gelet op wat hiervoor in 4.2.2 is overwogen, kan ook op deze verkrijging van een onverdeeld aandeel in een gebouw het lagere tarief van de overdrachtsbelasting worden toegepast indien dat gebouw een woning is.
4.3.1Het Hof diende daarom met het oog op de toepasselijkheid van het lagere tarief voor de verkrijging van woningen te onderzoeken of zich in dit geval een hiervoor in 4.2.5 onder a, b dan wel c beschreven situatie voordeed. Het heeft dat niet gedaan. Het heeft beslissende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het deel van de woning dat zich binnen de kadastrale eigendomsgrens van het perceel bevindt, op zichzelf niet voor bewoning bestemd of geschikt is, en ook niet met beperkte aanpassingen geschikt is te maken voor bewoning. Daarmee heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is daarom terecht voorgesteld. Het kan echter om de hierna volgende redenen niet tot cassatie leiden.
4.3.2De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het deel van de buitenmuur dat zich op de door belanghebbenden verkregen kavel 2 bevond, bestanddeel is van de woning, die zich voor het overige op kavel 1 en perceel [0001] bevond. Gelet op wat hiervoor in 4.2.5, onder a, is overwogen, hebben belanghebbenden met de verkrijging van hun kavel (kavel 2) daarom geen eigendom van de woning verkregen. Het deel van het terras dat zich op kavel 2 bevindt, is niet op zichzelf beschouwd aan te merken als een gedeelte van een gebouw en daarom evenmin als gedeelte van een woning als bedoeld in artikel 14, lid 2, van de Wet BRV.
4.3.3Het lagere tarief voor de verkrijging van woningen is daarom niet van toepassing op de verkrijging van kavel 2. Het oordeel van het Hof dat door belanghebbenden geen woning is verkregen, zodat terecht overdrachtsbelasting is geheven naar het tarief van 6 procent, is dan ook juist, wat er zij van de daartoe door het Hof gebezigde gronden. Het middel faalt daarom.