ECLI:NL:HR:2025:1796

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
24/02648
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de verkrijging van een woning en de toepassing van het lagere tarief voor overdrachtsbelasting

In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie van belanghebbenden, vertegenwoordigd door B.L. Adams, tegen de Staatssecretaris van Financiën. De Hoge Raad behandelt de vraag of belanghebbenden een woning hebben verkregen in de zin van artikel 14, lid 2, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV), waardoor het lagere tarief van 2 procent voor de overdrachtsbelasting van toepassing zou zijn. De zaak betreft een onroerende zaak die in 2018 door een projectontwikkelaar is gekocht en later kadastraal is gesplitst in verschillende percelen. Belanghebbenden hebben kavel 2 verworven, waarop een deel van de woning staat, en hebben een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan naar het hogere tarief van 6 procent. Het Hof oordeelde dat belanghebbenden geen woning hadden verkregen, omdat het deel van de woning dat op kavel 2 staat, niet geschikt is voor bewoning. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het Hof niet onjuist heeft geoordeeld. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond, omdat belanghebbenden met de verkrijging van kavel 2 geen eigendom van de woning hebben verkregen, en het lagere tarief voor overdrachtsbelasting daarom niet van toepassing is.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02648
Datum28 november 2025
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] (hierna: belanghebbenden)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2024, nrs. BK-ARN 23/106 en 23/107 [1] , op de hoger beroepen van belanghebbenden tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 22/998 en AWB 22/999) betreffende een door belanghebbenden op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbenden, vertegenwoordigd door B.L. Adams, hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 14 februari 2025 primair geconcludeerd tot ongegrondverklaring en subsidiair tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Een projectontwikkelaar heeft in 2018 een onroerende zaak gekocht. Deze onroerende zaak bestond uit een perceel grond met daarop een woning (hierna: de woning), carport, tuin, diverse schuren, overkappingen, stallen, garage, verhard terras, zwembad en vijver.
2.2
Het perceel is vervolgens kadastraal gesplitst in acht bouwkavels en één perceel (perceel [0001] ) onder meer voor de aanleg van een nieuwe openbare weg ter ontsluiting van de bouwkavels. Na de verkaveling stond de woning deels (bijna 45 procent) op perceel [0001] en voor het overige op twee van de acht bouwkavels: bijna 55 procent van de woning op perceel [0002] (kavel 1) en ongeveer 1 procent van de woning (een deel van de buitenmuur) plus een deel van het verharde terras op perceel [0003] (kavel 2). De situatie is als volgt weer te geven.
2.3
Belanghebbenden hebben met de projectontwikkelaar een koop-aannemingsovereenkomst gesloten waarbij zij kavel 2 (perceel [0003] ) hebben verworven en een aannemingsovereenkomst zijn aangegaan voor de bouw op die kavel van een nieuwe twee-onder-één-kapwoning. Kavel 2 is op 7 september 2020 overgedragen aan belanghebbenden. Daarna is de woning met aanhorigheden gesloopt en is een aanvang gemaakt met de bouw van de nieuwe twee-onder-één-kapwoning.
2.4
Ter zake van de verkrijging van kavel 2 hebben belanghebbenden een bedrag van € 15.693 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan naar een tarief van 6 procent. Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt en beroep ingesteld, met als grond dat zij een woning hebben verkregen en dat daarom 2 procent overdrachtsbelasting is verschuldigd.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of belanghebbenden een woning hadden verkregen in de zin van artikel 14, lid 2, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2020; hierna: de Wet BRV) zodat op de verkrijging het tarief van 2 procent van toepassing is.
3.2
Volgens het Hof is het de bedoeling van de wetgever geweest om per verkregen perceel te beoordelen of een woning wordt verkregen. Dat brengt volgens het Hof mee dat moet worden vastgesteld of binnen de kadastrale eigendomsgrens van kavel 2 een bouwwerk is verkregen dat naar zijn aard tot woning is bestemd. Het Hof heeft vastgesteld dat na verkaveling de woning met aanhorigheden is gelegen op meerdere kadastrale percelen. Volgens het Hof is het zeer kleine deel van 1 procent van de woning dat zich binnen de kadastrale eigendomsgrens van kavel 2 bevindt, op zichzelf niet voor bewoning bestemd of geschikt, en ook niet met beperkte aanpassingen geschikt te maken voor bewoning. Het Hof heeft daarom geoordeeld dat belanghebbenden geen woning in de zin van artikel 14, lid 2, van de Wet BRV hebben verkregen, zodat terecht een tarief van 6 procent is gehanteerd.

4.Beoordeling van het middel

4.1
Het middel klaagt over het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Anders dan het Hof heeft geoordeeld is alleen relevant dat de opstal, waaronder het verkregen deel van 1 procent, op basis van de bouwkundige kenmerken kan worden aangemerkt als woning, zodat ten onrechte een tarief van 6 procent is gehanteerd, aldus het middel.
4.2.1
Artikel 2, lid 1, van de Wet BRV bepaalt dat overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Overdrachtsbelasting wordt mede geheven ter zake van de verkrijging van een onverdeeld aandeel in dergelijke zaken en rechten. De Wet op belastingen van rechtsverkeer bevat geen eigen omschrijving van het begrip ‘onroerende zaken’, zodat volgens de wetsgeschiedenis daarvoor te rade moet worden gegaan bij het burgerlijke recht. [3]
4.2.2
Artikel 14, leden 2 en 6, van de Wet BRV bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, voor het verkrijgen van een woning en aanhorigheden daarvan het lagere tarief van 2 procent geldt. Onder het verkrijgen van een woning en aanhorigheden in de zin van deze bepaling moet mede worden verstaan het verkrijgen van een onverdeeld aandeel daarin.
4.2.3
In een geval als dit, waarin een gebouw op percelen van verschillende grondeigenaren staat en iemand een van die percelen verkrijgt, brengt wat hiervoor in 4.2.1 is overwogen, mee dat voor de heffing van overdrachtsbelasting ter zake van die verkrijging naar civielrechtelijke maatstaven moet worden beoordeeld of en, zo ja, in hoeverre hij daarmee ook de eigendom van het gebouw heeft verkregen.
4.2.4
Op grond van artikel 5:20, lid 1, letter e, BW is de eigenaar van de grond ook eigenaar van de duurzaam met die grond verenigde gebouwen (verticale natrekking), tenzij die gebouwen bestanddeel zijn van de onroerende zaak van een ander (horizontale natrekking). Dat laatste kan het geval zijn door de werking van artikel 5:3 BW. Op grond van die bepaling is de eigenaar van een onroerende zaak als regel eigenaar van alle bestanddelen van die zaak, ook als het gaat om bestanddelen die op grond van een ander staan. Volgens artikel 3:4 BW zijn bestanddelen van een zaak (i) al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van die zaak, en (ii) zaken die zodanig zijn verbonden met een hoofdzaak, dat zij niet van die hoofdzaak kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging van betekenis aan een van de betrokken zaken.
4.2.5
In gevallen als hiervoor in 4.2.3 bedoeld, kunnen zich verschillende situaties voordoen:
(a) Indien iemand in zo’n geval een perceel verkrijgt waarop slechts een (gedeelte van een) bestanddeel staat van het gebouw, verkrijgt hij daarmee geen eigendom van dat gebouw, waarvan de hoofdzaak staat op de grond van een ander en daarmee eigendom is van die ander. In zo’n geval is toepassing van artikel 14, lid 2, van de Wet BRV niet aan de orde.
(b) Indien iemand in zo’n geval een perceel verkrijgt waarop de hoofdzaak van het gebouw staat, terwijl slechts een (gedeelte van een) bestanddeel daarvan op de grond van een ander staat, dan verkrijgt hij daarmee de eigendom van het gehele gebouw. Indien dat gebouw een woning is, kan het lagere tarief van de overdrachtsbelasting op de verkrijging daarvan worden toegepast.
(c) Indien iemand ten slotte in zo’n geval een perceel verkrijgt waarop een gedeelte van het gebouw staat dat niet als hoofdzaak kan worden aangemerkt en evenmin als een (gedeelte van een) bestanddeel van dat gebouw, dan verkrijgt hij daarmee een onverdeeld aandeel in de eigendom van dat gehele gebouw. Hij verkrijgt dan dus niet de volledige eigendom van het gedeelte van het gebouw dat op zijn grond staat, maar gezamenlijke eigendom van het gebouw. Voor zover de wet niet anders bepaalt, is het namelijk niet mogelijk dat iemand slechts eigenaar is van een gedeelte van een zaak, aangezien de eigenaar van een zaak op grond van artikel 5:3 BW eigenaar is van al haar bestanddelen. [4] Gelet op wat hiervoor in 4.2.2 is overwogen, kan ook op deze verkrijging van een onverdeeld aandeel in een gebouw het lagere tarief van de overdrachtsbelasting worden toegepast indien dat gebouw een woning is.
4.3.1
Het Hof diende daarom met het oog op de toepasselijkheid van het lagere tarief voor de verkrijging van woningen te onderzoeken of zich in dit geval een hiervoor in 4.2.5 onder a, b dan wel c beschreven situatie voordeed. Het heeft dat niet gedaan. Het heeft beslissende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het deel van de woning dat zich binnen de kadastrale eigendomsgrens van het perceel bevindt, op zichzelf niet voor bewoning bestemd of geschikt is, en ook niet met beperkte aanpassingen geschikt is te maken voor bewoning. Daarmee heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is daarom terecht voorgesteld. Het kan echter om de hierna volgende redenen niet tot cassatie leiden.
4.3.2
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het deel van de buitenmuur dat zich op de door belanghebbenden verkregen kavel 2 bevond, bestanddeel is van de woning, die zich voor het overige op kavel 1 en perceel [0001] bevond. Gelet op wat hiervoor in 4.2.5, onder a, is overwogen, hebben belanghebbenden met de verkrijging van hun kavel (kavel 2) daarom geen eigendom van de woning verkregen. Het deel van het terras dat zich op kavel 2 bevindt, is niet op zichzelf beschouwd aan te merken als een gedeelte van een gebouw en daarom evenmin als gedeelte van een woning als bedoeld in artikel 14, lid 2, van de Wet BRV.
4.3.3
Het lagere tarief voor de verkrijging van woningen is daarom niet van toepassing op de verkrijging van kavel 2. Het oordeel van het Hof dat door belanghebbenden geen woning is verkregen, zodat terecht overdrachtsbelasting is geheven naar het tarief van 6 procent, is dan ook juist, wat er zij van de daartoe door het Hof gebezigde gronden. Het middel faalt daarom.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

Voetnoten

3.Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 3, blz. 25.
4.Vgl. HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1502, rechtsoverweging 3.4.