Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €103.939,56, gebaseerd op medeplegen van invoer van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie in 2011-2012.
Het hof had geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen waren dat de betrokkene ook vóór de bewezenverklaarde perioden soortgelijke strafbare feiten had gepleegd, en baseerde de schatting van het voordeel op een eenvoudige kasopstelling over de periode 2010-2012. De betrokkene voerde aan dat contante uitgaven uit legale handel afkomstig waren, maar dit werd door het hof verworpen wegens gebrek aan bewijs.
De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof dat er voldoende aanwijzingen zijn voor soortgelijke feiten vóór de bewezenverklaarde periode onvoldoende is gemotiveerd. Het hof stelde alleen vast dat de betrokkene werkzaamheden verrichtte in de bewezenperiode en dat er contante uitgaven waren zonder legale herkomst, maar dit is onvoldoende om aanwijzingen voor strafbare feiten vóór die periode aan te nemen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling. De uitspraak bevat tevens een uitgebreide toelichting op de toepasselijkheid van artikel 36e Sr en de eisen aan het bewijs in ontnemingsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering van aanwijzingen voor soortgelijke strafbare feiten.