ECLI:NL:HR:2025:1176
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtsherstel box 3 op basis van werkelijk rendement zonder ongerealiseerde waardeveranderingen
In deze zaak stond de belastingaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2018 van belanghebbende centraal, waarbij het inkomen in box 3 was vastgesteld op een forfaitair bedrag. Belanghebbende betwistte dit en voerde aan dat het werkelijk behaalde rendement leidend moet zijn voor de heffing, conform de Wet rechtsherstel box 3.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de heffing in box 3 op stelselniveau in strijd is met artikel 14 EVRM Pro in combinatie met artikel 1 EP Pro indien het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Het Hof stelde vast dat ongerealiseerde waardeveranderingen niet tot het werkelijk rendement behoren en dat de niet-verhuurde tweede woning in Frankrijk geen inkomen oplevert. Daarom werd de aanslag verminderd tot het bedrag van rente- en dividendinkomsten.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het aan de wetgever is om het rechtstekort te herstellen en dat ongerealiseerde waardeveranderingen wel moeten worden meegenomen. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat het rechtsherstel moet aansluiten bij het werkelijk behaalde rendement zonder ongerealiseerde waardeveranderingen, en dat het rendement van de tweede woning buiten beschouwing blijft. Het incidentele beroep van belanghebbende werd niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-digitale indiening.
De Hoge Raad wees de proceskostenveroordeling af en bevestigde het oordeel van het Hof, waarmee het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het rechtsherstel in box 3 wordt bevestigd op basis van het werkelijk behaalde rendement zonder ongerealiseerde waardeveranderingen.