ECLI:NL:HR:2025:1129
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over immateriële schadevergoeding bij WOZ-zaak wegens nevenvordering
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland stelde de WOZ-waarde van een woning vast voor 2020, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. Na een langdurige procedure stelde belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg.
De Rechtbank wees dit verzoek af omdat het financiële belang van belanghebbende als gebruiker van de woning nihil was, ondanks de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof oordeelde anders en kende een immateriële schadevergoeding toe, mede omdat het ook het financiële belang bij een nevenvordering – een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen – meewoog.
De Hoge Raad stelde in cassatie vast dat het Hof ten onrechte het financiële belang van de nevenvordering heeft betrokken bij de beoordeling van de immateriële schadevergoeding. Omdat het financiële belang in de hoofdzaak nihil was en het Hof dit onbestreden had vastgesteld, vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof voor zover het de vergoeding aan de heffingsambtenaar betreft en bevestigde het vonnis van de Rechtbank. De veroordeling van de Staat tot vergoeding blijft in stand omdat daartegen geen cassatieberoep is ingesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het immateriële schadevergoeding toekent aan de heffingsambtenaar en bevestigt het vonnis van de Rechtbank.