Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 juni 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over het gezag en de uithuisplaatsing van de dochter van de moeder. De dochter is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, waarbij de moeder ontheven is van het ouderlijk gezag en de voogdij wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De moeder verzocht de rechtbank om herstel in het gezag, beëindiging van de uithuisplaatsing en opheffing van de ondertoezichtstelling. De rechtbank stelde een tussenbeschikking vast waarin beslissingen werden aangehouden in afwachting van een psychodiagnostisch onderzoek en hulpverlening.
Onderaan de tussenbeschikking stond een mededeling dat hoger beroep binnen drie maanden mogelijk was. De moeder stelde hoger beroep in, maar het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat de rechtbank niet uitdrukkelijk toestemming had gegeven voor tussentijds hoger beroep zoals vereist op grond van artikel 358 lid 4 Rv Pro. Het hof oordeelde dat de mededeling onderaan de beschikking een standaardtekst was en geen rechterlijke beslissing.
De Hoge Raad oordeelt anders. De moeder mocht de mededeling redelijkerwijs opvatten als een beslissing van de rechtbank om tussentijds hoger beroep toe te staan. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. De gecertificeerde instelling wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het hoger beroep van de moeder ontvankelijk en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.