Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 juni 2024.
Hoge Raad
In deze civiele zaak gaat het om de vraag of partijen die onderhandelingen over een koopovereenkomst afbreken, verplicht kunnen zijn tot vergoeding van kosten die de wederpartij heeft gemaakt, ook als het afbreken niet onaanvaardbaar is volgens redelijkheid en billijkheid.
De feiten betreffen de verkoop van twee percelen met ontbindende voorwaarden en verlengingsovereenkomsten tussen eisers en verweerders. Na langdurige onderhandelingen en een verlengingsovereenkomst tot 1 juli 2019, braken verweerders de onderhandelingen over verdere verlenging af en verkochten zij de percelen aan een derde.
Eisers vorderden nakoming en subsidiair schadevergoeding wegens het afbreken van onderhandelingen. Rechtbank en hof oordeelden dat het afbreken niet onaanvaardbaar was en wezen de vorderingen af. De Hoge Raad stelt echter dat ook zonder onaanvaardbaarheid een verplichting tot vergoeding kan bestaan op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW Pro).
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam omdat het hof onvoldoende heeft meegewogen dat verweerders mogelijk ongerechtvaardigd zijn verrijkt door de inspanningen van eisers die tot een hogere verkoopprijs aan een derde hebben geleid. De zaak wordt verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.
De Hoge Raad veroordeelt verweerders tevens in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling over de vergoeding van kosten wegens ongerechtvaardigde verrijking.