Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
(...)
b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.”
In zijn eindarrest heeft het hof, naar aanleiding van het aanhoudingsverzoek van de nieuwe raadsman, een overzicht gegeven van het verloop van de procedure in hoger beroep en de door de (opvolgende) raadslieden telkens gedane verzoeken. Aan de hiervoor genoemde gronden voor afwijzing heeft het hof toegevoegd dat het “vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld” – te weten telkens net voor de in overleg met de verdediging lang tevoren geplande zittingen – zijn geweest die de procedure hebben vertraagd. Hieruit, en uit de hierop volgende – door de wrakingskamer als misbruik van de wrakingsprocedure aangemerkte – wrakingsverzoeken heeft het hof afgeleid dat de verdachte heeft geprobeerd ook de inhoudelijke behandeling van de zaak te frustreren. Verder heeft het hof vastgesteld dat de (toenmalige) raadsvrouw van de verdachte de bijlagen voor haar pleidooi al aan het hof had toegestuurd en de verdediging dus kennelijk al geheel was voorbereid. Het gehele tijdsverloop in aanmerking nemend heeft het hof daaraan toegevoegd dat de verdachte ruim voldoende tijd en gelegenheid had gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden, en geoordeeld dat zijn recht op een eerlijk proces door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet is geschonden.
Deze klacht faalt. Uit het hiervoor weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juni 2022 blijkt dat het hof expliciet onder ogen heeft gezien dat deze veroordeling nog niet onherroepelijk was. Die omstandigheid behoefde het hof er echter niet van te weerhouden ook de in die periode ontstane vertraging van de procedure in aanmerking te nemen, welke vertraging niet alleen ontstond doordat de (toenmalige) raadsman de verdediging niet voortzette, maar ook doordat nader onderzoek moest worden gedaan naar de authenticiteit van de namens de verdachte ingebrachte stukken.
In het verlengde hiervan en mede gelet op de hiervoor weergegeven vaststelling van het hof over de momenten waarop de opvolgende wisselingen van de raadslieden plaatsvonden, faalt ook de klacht dat deze wisselingen niet of nauwelijks tot vertraging van de procedure hebben geleid. Datzelfde geldt voor de klacht dat de – als misbruik aangemerkte – wrakingsverzoeken slechts een zeer beperkte vertraging hebben opgeleverd omdat daarop veelal binnen enkele dagen werd beslist. Ook in dit opzicht geldt immers dat mede van belang is het moment waarop dergelijke verzoeken worden ingediend, zeker als daarmee zittingsdagen verloren gaan die lang tevoren in overleg met de verdediging waren gereserveerd voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Dit alles brengt mee dat ook de algemene klacht over de begrijpelijkheid van de vaststellingen van het hof over de verschillende momenten en manieren waarop de verdachte de procedure in hoger beroep heeft vertraagd, faalt. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de verdachte op de terechtzitting van 15 juni 2022 op geen enkele vraag van het hof antwoord heeft gegeven, ook niet op de vraag om “iets meer (te) zeggen” over de breuk met zijn raadslieden. In het bijzonder heeft hij niet aangevoerd dat die breuk niet aan hem te wijten was, terwijl de vertrouwelijkheid van het overleg tussen de verdachte en zijn raadsman er niet aan in de weg staat dat de verdachte enig inzicht biedt in de oorzaak van de breuk en het ontbreken van rechtsbijstand.
De Hoge Raad is van oordeel dat – ondanks dat het een complexe zaak betreft – gezien deze bijzonderheden van de zaak en met name gezien zijn proceshouding, de verdachte niet zodanig is beperkt in zijn recht op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van zijn verdediging of in zijn recht op rechtsbijstand, dat daardoor zijn recht op een eerlijk proces is geschonden.
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
4 juni 2024.