ECLI:NL:HR:2024:629
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt winstbelastingheffing over vermeende onzakelijke lening aan dochtervennootschap
Belanghebbende, een Arubaanse naamloze vennootschap, kreeg van haar Zwitserse moedermaatschappij een geldlening verstrekt die zij als schuld op haar balans opnam. Na staking van haar activiteiten en liquidatie werd over 2012 een navorderingsaanslag winstbelasting opgelegd waarbij een bedrag van ruim Afl. 750.000 als vrijval van schuld tot winst werd gerekend.
Het geschil betrof de vraag of deze geldverstrekking als onzakelijke lening moest worden aangemerkt, wat zou betekenen dat het voordeel uit schuldvrijval niet tot winst behoort maar als informele kapitaalstorting moet worden behandeld. Het Hof oordeelde dat de lening civielrechtelijk een lening was en dat de omstandigheden geen uitzonderingen opleverden die fiscale kwalificatie als kapitaalverstrekking rechtvaardigen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte geen oordeel gaf over de onzakelijkheid van de lening, terwijl dit essentieel was. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof deze stelling had moeten behandelen, maar dat belanghebbende onvoldoende feiten had gesteld om de onzakelijkheid aannemelijk te maken. Daarom kon het Hof niet anders dan de lening als zakelijk kwalificeren.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee de navorderingsaanslag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag winstbelasting over 2012.