ECLI:NL:HR:2024:572
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt wegingsfactor 0,5 bij proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, dat de Staat veroordeelde tot vergoeding van proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn en een te lage proceskostenvergoeding door de rechtbank. Het hof had de vergoeding verhoogd en daarbij wegingsfactor 0,5 (licht) toegepast.
Belanghebbende betoogde dat het hof wegingsfactor 1 (gemiddeld) had moeten hanteren, omdat het hoger beroep niet alleen slaagde vanwege een verkeerde vaststelling van de proceskostenvergoeding, maar ook vanwege een onjuiste vaststelling van immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.
De Hoge Raad oordeelde dat het bepalen van de wegingsfactor een waardering van feitelijke aard is die voorbehouden is aan de rechter die op het beroep beslist. De klacht faalde omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en geen onjuiste rechtsopvatting bevatte.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Hiermee blijft de proceskostenvergoeding met wegingsfactor 0,5 in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de wegingsfactor 0,5 bij proceskostenvergoeding blijft gehandhaafd.