Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:527

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
22/02807
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 letter p Wet OB 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over omzetbelastingvrijstelling hoger onderwijs voor ouderen en verwijst terug

De zaak betreft een geschil tussen de Staatssecretaris van Financiën en Stichting X over de omzetbelasting die is voldaan over het tijdvak september 2016. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had een uitspraak gedaan over het hoger beroep van de Inspecteur tegen een eerdere uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond verklaard en het arrest van het Hof vernietigd. De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van het arrest. De kern van het geschil betreft de uitleg van de vrijstelling van omzetbelasting op grond van artikel 11, lid 1, letter p, Wet OB, met betrekking tot het hoger onderwijs voor ouderen (HOVO).

Daarnaast moet het verwijzingshof beoordelen of de Inspecteur het jegens belanghebbende gewekte vertrouwen over de toepassing van deze vrijstelling rechtsgeldig heeft opgezegd. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en is op 5 april 2024 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02807
Datum5 april 2024
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 juni 2022, nr. 21/00009 [1] , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 18/104) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2016 tot en met 30 september 2016.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.P. Waninge, heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 29 december 2022 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00167, ECLI:NL:HR:2024:383.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de behandeling van het door de Rechtbank onbehandeld gelaten geschilpunt over het antwoord op de vraag of de Inspecteur het jegens belanghebbende gewekte vertrouwen over toepassing van artikel 11, lid 1, letter p, van de Wet op de omzetbelasting 1968 ter zake van het door belanghebbende gegeven hoger onderwijs voor ouderen (HOVO) voor het onderhavige tijdvak (september 2016) rechtsgeldig heeft opgezegd.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2024.