ECLI:NL:HR:2024:518
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid beroep belanghebbende en verwerpt cassatie Staatssecretaris inzake schenking onzakelijke lening
In deze zaak staat de fiscale behandeling van een onzakelijke lening centraal die in 2008 door een holding aan een BV werd verstrekt en in 2014 werd kwijtgescholden. De Inspecteur stelde dat sprake was van een schenking onder opschortende voorwaarde, die zich manifesteerde bij de kwijtschelding in 2014, en legde daarop een aanslag schenkbelasting op.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verwierp dit standpunt en oordeelde dat de schenking plaatsvond in 2008, vóór inwerkingtreding van artikel 1, lid 9, SW, en dat er geen sprake was van een opschortende voorwaarde. Het hof vond dat het risico van niet-terugbetaling inherent is aan leningen en dat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat partijen een afspraak hadden gemaakt over kwijtschelding.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard omdat het hof terecht had geoordeeld dat het verstrekken van een onzakelijke lening niet automatisch een schenking onder opschortende voorwaarde inhoudt. Wel erkende de Hoge Raad dat rentevoordeel als vruchtgebruik kan worden aangemerkt en dat een voorwaardelijke gift mogelijk is indien een opschortende voorwaarde expliciet is overeengekomen.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Het arrest bevestigt de strikte toepassing van termijnen in cassatie en verduidelijkt de fiscale kwalificatie van onzakelijke leningen in het kader van de schenkbelasting.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.