ECLI:NL:HR:2024:434
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert boete in belastingzaak wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam over aanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor de jaren 2013 en 2014, inclusief een boetebeschikking voor 2014 en beschikkingen over belastingrente.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze nader te motiveren. Wel constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure van meer dan zes maar minder dan twaalf maanden.
Hoewel belanghebbende geen vergoeding voor immateriële schade had gevraagd voor de aanslagen en rente, achtte de Hoge Raad de overschrijding relevant voor de boetebeschikking, die meer dan €1.000 bedroeg. Daarom werd de boete verminderd met 10%.
De Hoge Raad wees een veroordeling in proceskosten af en deed het arrest in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren, waarbij het cassatieberoep ongegrond werd verklaard, het hofarrest gedeeltelijk werd vernietigd en de boete werd verminderd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en vermindert de boete met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn.