ECLI:NL:HR:2024:239
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen schenking bij huwelijkse voorwaarden ondanks ongelijke verdeling en fraus legis
Belanghebbende was gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen en is later huwelijkse voorwaarden aangegaan waarbij een ongelijke verdeling van 10-90 procent werd overeengekomen. Na het overlijden van haar echtgenoot legde de Inspecteur een erfbelastingaanslag op uitgaande van een 50-50 verdeling. Het Hof Amsterdam oordeelde dat het aangaan van de huwelijkse voorwaarden niet als schenking kon worden aangemerkt, maar stelde wel dat sprake was van fraus legis omdat het aangaan van de voorwaarden was gericht op het ontgaan van erfbelasting, mede omdat de erflater ernstig ziek was.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste maatstaf hanteerde door te toetsen aan 'enigszins gelijke levens- en sterftekansen' in plaats van aan de vraag of het overlijden zo goed als zeker binnen 180 dagen zou plaatsvinden. Zonder bewijs dat het overlijden vrijwel zeker binnen die termijn zou plaatsvinden, kan geen fraus legis worden aangenomen. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat het aangaan van huwelijkse voorwaarden geen schenking inhoudt zolang er geen daadwerkelijke vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat artikel 11, lid 4, Successiewet niet van toepassing is omdat belanghebbende bij overlijden niet meer verkreeg dan haar aandeel van 90 procent in de gemeenschap. De bestreden aanslag wordt vernietigd en de uitspraak van de Rechtbank, die de aanslag had vernietigd, wordt bevestigd. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt dat het aangaan van huwelijkse voorwaarden geen schenking is en dat fraus legis niet kan worden toegepast zonder zekerheid over overlijden binnen 180 dagen.