ECLI:NL:HR:2024:232

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
13 februari 2024
Zaaknummer
21/05162
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 327a SvArt. 359 lid 5 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafoplegging bij mishandeling ondanks formele tekortkoming in arrest

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte is veroordeeld voor mishandeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van dertig uren. Het hof motiveerde de straf mondeling tijdens de terechtzitting en verwees in het arrest naar het proces-verbaal van die zitting voor de strafmotivering.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee niet heeft voldaan aan de vereiste van artikel 359 lid 5 Sv Pro dat het arrest zelf de redenen voor de straf moet bevatten. Dit is van belang omdat het proces-verbaal op het moment van het arrest nog niet volledig beschikbaar hoeft te zijn volgens artikel 327a Sv. Ondanks deze formele tekortkoming ziet de Hoge Raad geen reden tot vernietiging omdat de verdachte de strafmotivering uit het proces-verbaal kent en geen klacht daartegen heeft ingediend.

Verder beoordeelt de Hoge Raad andere klachten uit het cassatiemiddel en verwerpt deze zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De redelijke termijn is overschreden, maar gezien de lichte straf vindt de Hoge Raad dit niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg.

De Hoge Raad bevestigt daarmee de strafoplegging en verwerpt het cassatieberoep, waarmee de veroordeling van de verdachte ongewijzigd blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en taakstraf van dertig uren wegens mishandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/05162
Datum13 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 december 2021, nummer 21-003736-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de redenen die de straf hebben bepaald niet in het arrest, maar in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft opgegeven.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van dertig uren. Het arrest van het hof houdt daarover het volgende in:
“Oplegging van straf
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van verdachte en diens raadsman. De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd. Deze motivering wordt opgenomen in het proces-verbaal van die zitting en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De aldus gemotiveerde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.”
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
“Met betrekking tot de strafmaat heeft het hof gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en de persoon van de verdachte.
Het hof heeft ter terechtzitting niet de indruk bekomen dat verdachte oprechte spijt heeft van wat er is gebeurd. De verantwoordelijkheid ligt primair bij hemzelf, maar verdachte heeft ter terechtzitting veel gesproken over de schuld van de ander. Het lijkt verdachte vooral te spijten dat hij nu zelf verdachte is in een strafzaak. Verder is het hof van oordeel dat het gaat om een ernstig agressief feit, waaraan aangever letsel heeft overgehouden. Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op de ernst van het feit, de documentatie van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
Alles afwegende acht het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair 15 uren hechtenis op zijn plaats. Naar het oordeel van het hof moet het redelijkerwijs mogelijk zijn om deze taakstraf in te passen in het leven van verdachte.
Daarnaast acht het hof een stevige stok achter de deur noodzakelijk om herhaling te voorkomen. Het hof is van oordeel dat een voorwaardelijke taakstraf, zoals de politierechter heeft opgelegd, daartoe niet volstaat. Het hof heeft daarbij gelet op de ernst van het feit en het beperkte inzicht in de strafwaardigheid van zijn eigen handelen. Het hof acht daarom een vrijheidsstraf - in voorwaardelijke vorm - passend en geboden. Het hof acht daarom het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.”
2.3
In cassatie zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- artikel 327a leden 1 en 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“1. Behoudens in het geval omschreven in het tweede lid, kan een verkort proces-verbaal worden opgemaakt.
3. Indien tegen het vonnis een gewoon rechtsmiddel wordt aangewend of aan een vordering of verzoek als omschreven in artikel 365c gevolg wordt gegeven, wordt het verkorte proces-verbaal zodanig aangevuld, dat het voldoet aan de in artikel 326 gestelde Pro eisen. De aanvulling vindt plaats binnen de in artikel 365a, derde lid, bepaalde termijnen.”
- artikel 359 lid 5 Sv Pro:
“Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.”
2.4.1
Het hof heeft in zijn arrest volstaan met de enkele vermelding dat de in het proces-verbaal van de terechtzitting opgenomen motivering van de strafoplegging “als hier herhaald en ingelast” wordt beschouwd. Het cassatiemiddel klaagt terecht dat het hof daarmee niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 359 lid 5 Sv Pro dat het arrest de redenen opgeeft die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid. Dat die redenen in het arrest worden opgenomen, zonder daarbij een verwijzing naar het proces-verbaal van de terechtzitting te hanteren, is van belang omdat, gelet op de regeling van artikel 327a Sv, op het moment dat het arrest wordt gewezen een (volledig) proces-verbaal van de terechtzitting (nog) niet beschikbaar hoeft te zijn.
2.4.2
In deze zaak ontbreekt echter voldoende belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak, omdat voor de verdachte de redenen voor de strafoplegging wel kenbaar zijn (geworden) uit het opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting en namens de verdachte geen klacht is aangevoerd tegen de inhoud van deze strafmotivering.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 februari 2024.