Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
26 november 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak oordeelt de Hoge Raad over de vraag of het gerechtshof een einduitspraak mocht doen nadat de verdachte een wrakingsverzoek had ingediend na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, maar vóór de einduitspraak. De Hoge Raad stelt vast dat een dergelijk wrakingsverzoek tijdig kan zijn indien het op een moment is ingediend waarop de rechters er nog kennis van konden nemen. In dat geval had het hof het onderzoek moeten heropenen en schorsen in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek echter niet-ontvankelijk omdat het niet tijdig was ingediend volgens de criteria van artikel 513 Sv Pro. De Hoge Raad concludeert dat hoewel het hof het onderzoek had moeten schorsen, dit niet tot cassatie leidt vanwege gebrek aan belang; de einduitspraak zou niet anders zijn geweest.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden door de late indiening van stukken en de lange duur van de procedure. Gezien de relatief lichte opgelegde straf ziet de Hoge Raad hiervan af om een ander rechtsgevolg te verbinden.
Het beroep in cassatie wordt uiteindelijk verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof had het onderzoek moeten schorsen maar dit leidt niet tot andere einduitspraak.