ECLI:NL:HR:2024:1660
Hoge Raad
- Prejudiciële beslissing
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële beslissing over berekening arbeidskorting en heffingskortingen bij gedeeltelijke binnenlandse belastingplicht
Belanghebbende was in 2020 slechts van 1 januari tot 31 juli binnenlands belastingplichtig en werkte daarna in Brazilië, waar zij niet belastingplichtig was in Nederland. De Inspecteur had bij de aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen het wereldinkomen over het gehele jaar als grondslag genomen voor de arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) en algemene heffingskorting.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant legde een prejudiciële vraag voor aan de Hoge Raad over de juiste uitleg van de begrippen "arbeidsinkomen" en "belastbaar inkomen uit werk en woning" in de situatie van gedeeltelijke binnenlandse belastingplicht. De Hoge Raad overwoog dat de bijzondere regeling van artikel 7.2, lid 18, Wet IB 2001 niet van toepassing is op personen die in het niet-Nederlandse deel van het jaar niet als buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde dat de heffingskortingen uitsluitend berekend moeten worden over het arbeidsinkomen en belastbare inkomen uit werk en woning genoten tijdens de binnenlandse belastingplichtperiode. Het wereldinkomen in de periode waarin geen belastingplicht bestond, blijft buiten beschouwing. Tevens moet de heffingskorting tijdsevenredig worden verminderd naar rato van de periode van belastingplicht en premieplicht.
Deze beslissing sluit aan bij eerdere jurisprudentie, waaronder het Costa Rica-arrest en de prejudiciële beslissing van 22 maart 2024. De Hoge Raad geeft hiermee duidelijkheid over de toepassing van de wetgeving voor belastingplichtigen met een gedeeltelijke binnenlandse belastingplicht in een kalenderjaar.
Uitkomst: De heffingskortingen worden uitsluitend berekend over het inkomen genoten tijdens de binnenlandse belastingplichtperiode en tijdsevenredig verminderd.