ECLI:NL:HR:2024:1658
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beëindiging toepassing 30%-regeling en heffing in box 3 bij partieel buitenlandse belastingplicht
Belanghebbende maakte in 2016 gebruik van de 30%-regeling en koos ervoor als partieel buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt. In haar aangifte hield zij alleen rekening met in Nederland gelegen onroerende zaken en bezittingen van haar fiscaal partner, maar gaf zij haar eigen bank- en spaartegoeden niet op.
De Inspecteur corrigeerde dit door het inkomen uit bank- en spaartegoeden forfaitair te berekenen voor de periode dat de 30%-regeling niet meer van toepassing was, namelijk vanaf april 2016 tot het einde van dat jaar. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat dit juist was omdat de belastingplichtige vanaf dat moment als buitenlands belastingplichtige moest worden behandeld voor box 3.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De Hoge Raad acht het niet nodig om de overige klachten te motiveren, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.