ECLI:NL:HR:2024:1471
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep tegen aanslag onroerendezaakbelasting gemeente Den Haag 2021
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Haag over een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2021. Na een uitspraak van de rechtbank Den Haag en het Gerechtshof Den Haag, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet, en de vraag of coronamaatregelen het gebruik van het onroerend goed belemmerden waardoor een vermindering van de aanslag zou moeten plaatsvinden.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld aan de hand van een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2024:1354) en concludeerde dat de klachten falen. De Hoge Raad volgde daarmee het oordeel van het hof dat de aanslag terecht was opgelegd en dat de coronamaatregelen geen belemmering vormden voor het gebruik in de zin van de wet.
De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie, waarop belanghebbende schriftelijk had gereageerd. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 van de gemeente Den Haag.