Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:1471

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
23/03444
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep tegen aanslag onroerendezaakbelasting gemeente Den Haag 2021

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Haag over een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2021. Na een uitspraak van de rechtbank Den Haag en het Gerechtshof Den Haag, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet, en de vraag of coronamaatregelen het gebruik van het onroerend goed belemmerden waardoor een vermindering van de aanslag zou moeten plaatsvinden.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld aan de hand van een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2024:1354) en concludeerde dat de klachten falen. De Hoge Raad volgde daarmee het oordeel van het hof dat de aanslag terecht was opgelegd en dat de coronamaatregelen geen belemmering vormden voor het gebruik in de zin van de wet.

De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie, waarop belanghebbende schriftelijk had gereageerd. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 van de gemeente Den Haag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/03444
Datum18 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 juli 2023, nr. BK-22/01155 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/5036) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Den Haag voor het jaar 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door Z.H. van Dorth tot Medler, advocaat te Den Haag, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door Z.H. van Dorth tot Medler.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 19 juli 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/03445, ECLI:NL:HR:2024:1354.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2024:768, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:787.