Uitspraak
1.De prejudiciële procedure
2.Inleiding en samenvatting
3.Uitgangspunten en feiten
4.Beantwoording van de prejudiciële vraag
5.Beslissing
4 oktober 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze prejudiciële procedure stelde de kantonrechter Rotterdam de vraag aan de Hoge Raad of een handelaar aanspraak kan maken op vergoeding op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203, 6:210 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW Pro) nadat een overeenkomst op grond van art. 6:230v lid 3 BW is vernietigd wegens een onduidelijke bestelknop.
De Hoge Raad oordeelde dat indien een overeenkomst geheel wordt vernietigd omdat de bestelknop niet voldoet aan de wettelijke vereisten, de handelaar recht kan hebben op een vergoeding voor reeds verrichte prestaties. Dit volgt uit het feit dat de vernietiging met terugwerkende kracht de overeenkomst doet verdwijnen en daarmee de prestaties onverschuldigd zijn geworden.
De vergoeding is echter beperkt tot wat redelijk is, mede om de sanctie van de vernietiging doeltreffend en afschrikkend te houden. Bij goederen kan de handelaar terugvordering van de betaalde bedragen verlangen, met inachtneming van de teruggaafplicht van de consument. Bij diensten die niet ongedaan gemaakt kunnen worden, zoals onderwijs, is vergoeding mogelijk binnen redelijke grenzen.
De uitspraak benadrukt het belang van de bestelknopbepaling ter bescherming van consumenten en het evenwicht tussen consumentenbescherming en het concurrentievermogen van handelaren. Tevens wordt bevestigd dat de sanctie van vernietiging niet zonder meer betekent dat de handelaar alle vergoeding verliest.
De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vraag bevestigend en begroot de proceskosten ten laste van de handelaar.
Uitkomst: De handelaar kan recht hebben op een redelijke vergoeding na volledige vernietiging van de overeenkomst wegens niet-naleving van de bestelknopbepaling.