ECLI:NL:HR:2023:587
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in bestuursrechtelijke zaak over dwangsom
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die een hoger beroep behandelde over een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. Het geschil betrof een verzoek om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op een verzoek terug te komen op een uitspraak op bezwaar, waarbij belanghebbende niet-ontvankelijk was verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie alleen kennis kan worden genomen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover de wet dit toestaat. Er bestaat geen wettelijke bepaling die cassatie openstelt tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in dit soort geschillen.
Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 14 april 2023.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van wettelijke cassatiemogelijkheid.