ECLI:NL:HR:2023:355
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over redelijke termijn en proceskosten bij bpm-zaak
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen door haar betaalde bpm en is in beroep en hoger beroep gegaan. Het hof verklaarde het hoger beroep deels gegrond, stelde bpm-bedragen lager vast en wees proceskosten toe op basis van een waarde per punt die sinds 1 juli 2021 geldt.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de differentiatie in waarde per punt discriminerend is en dat de coronapandemie niet zonder meer verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. De Hoge Raad volgt dit en oordeelt dat de coronapandemie alleen een bijzondere omstandigheid vormt als partijen waren uitgenodigd voor zitting in de sluitingsperiode van gerechtsgebouwen, wat hier niet het geval was.
De redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden, waardoor belanghebbende recht heeft op een vergoeding van €500. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het de immateriële schadevergoeding en proceskosten betreft en veroordeelt de Staat en Staatssecretaris tot betaling van vergoeding en proceskosten conform de actuele waarde per punt. De overige klachten worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad kent €500 vergoeding toe voor termijnoverschrijding en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten.