Uitspraak
1.De prejudiciële procedure
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
4.Beslissing
24 februari 2023.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een prejudiciële procedure over de onderlinge bijdrageplicht van hoofdelijke schuldenaren binnen een concern, waarbij De Buurtzuster B.V. failliet is verklaard en BRE als zustervennootschap mede aansprakelijk is gesteld.
De curator van De Buurtzuster vordert betaling van een bedrag dat volgens hem door BRE onterecht is afgelost aan Rabobank, omdat De Buurtzuster meer heeft betaald dan haar aandeel volgens de onderlinge verhouding. De rechtbank stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de betekenis van direct of indirect profijt bij de verdeling van de schuld.
De Hoge Raad bevestigt dat bij de bepaling van de draagplicht van hoofdelijke schuldenaren in concernverhoudingen rekening gehouden moet worden met wie de lening heeft gebruikt of te wier beschikking deze is gekomen, inclusief indirect profijt. De specifieke omstandigheden van het geval zijn bepalend, en de rechter moet het gewicht van deze feiten bepalen.
De Hoge Raad beantwoordt de vragen in die zin en legt de proceskosten gelijkelijk bij partijen. De beslissing verduidelijkt de toepassing van art. 6:10 BW Pro in concernverhoudingen en benadrukt het belang van feitelijke beoordeling door de rechter.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat bij de onderlinge draagplicht van hoofdelijke schuldenaren binnen een concern ook indirect profijt van een lening meeweegt en laat de feitelijke beoordeling aan de rechter over.