Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 oktober 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die als tweede penningmeester van een supportersvereniging gedurende de periode 2010 tot 2016 geldbedragen van ongeveer €22.859,40 heeft verduisterd. De kern van het geschil was of de verdachte handelde uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, ondanks dat hij zijn werkzaamheden verrichtte als vrijwilliger.
Het hof had vastgesteld dat verdachte administratieve werkzaamheden verrichtte in opdracht van en onder toezicht van het bestuur, waarbij sprake was van een gezagsverhouding. Verdachte moest verantwoording afleggen aan het bestuur en ontving een structurele geldelijke vergoeding voor zijn werkzaamheden. Deze omstandigheden waren doorslaggevend voor het hof om te oordelen dat sprake was van een persoonlijke dienstbetrekking in de zin van artikel 322 Sr Pro.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst het cassatieberoep af. De opvatting dat werkzaamheden verricht in de hoedanigheid van vrijwilliger per definitie geen persoonlijke dienstbetrekking kunnen vormen, wordt verworpen. Het arrest benadrukt dat de feitelijke omstandigheden bepalend zijn, waaronder ondergeschiktheid en vergoeding. Het oordeel van het hof is niet onjuist en voldoende gemotiveerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte zich het geld wederrechtelijk heeft toegeëigend uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en verwerpt het cassatieberoep.