ECLI:NL:PHR:2024:250

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
22/00304
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 WVW 1994Art. 354a lid 2 SvArt. 24 SrArt. 12i SvArt. 355 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste strafoplegging bij verlaten plaats ongeval

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor het verlaten van de plaats van een verkeersongeval waarbij letsel was toegebracht. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van het slachtoffer, getuigen, camerabeelden en het eigen verweer van de verdachte. Het hof oordeelde dat de verdachte het ongeval had opgemerkt en redelijkerwijs moest vermoeden dat letsel was toegebracht.

In cassatie werd het eerste middel, gericht tegen de bewezenverklaring, verworpen. Het tweede middel betrof de strafoplegging en de vraag of het hof rekening had gehouden met reeds betaalde bedragen in het kader van een eerder opgelegde en vernietigde strafbeschikking. De conclusie van de procureur-generaal stelt dat het hof dit niet op juiste wijze heeft gedaan.

De Hoge Raad concludeert dat art. 354a lid 2 Sv ook voor het gerechtshof geldt en dat het hof de reeds betaalde bedragen had moeten betrekken bij de straftoemeting. De zaak wordt vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00304

Zitting5 maart 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 14 januari 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens "overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. van der Stel, advocaat te Schiedam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.
2.1
Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Rotterdam aan de [a-straat] , op 23 mei 2019, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht.”
2.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 mei 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019156368-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 45):
als de op 28 mei 2019 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
Op 23 mei 2019 stopte ik langs de kant van het fietspad op de [a-straat] te Rotterdam. Ik ben op mijn fiets blijven zitten maar ik stond stil met mijn fiets tegen de trottoirband aan.
Ik was met een man in gesprek en was bezig met het maken van aantekeningen toen ik plots een harde klap tegen mijn linkerelleboog voelde. Ik voelde direct een pijnscheut in mijn elleboog. Het was een harde klap, ik schrok er echt van.
Terwijl ik de klap voelde zag ik een jongen voorbij rijden op zijn scooter. De jongen stopte ongeveer 20 meter verder. Ik zag dat de jongen die mij aanreed en voorbij reed omkeek en begon te lachen.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019156368-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 710, met fotobijlage):
als de afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 1] :
Ik heb foto's gemaakt van het letsel van aangeefster. Ik zag dat het letsel bestond uit een blauwe plek aan de onderzijde van de linkerelleboog van aangeefster. De blauwe plek was ongeveer 3 à 4 centimeter groot in omtrek. Tevens zag ik een lichte zwelling op de huid op de onderzijde van de linkerelleboog ter hoogte van de blauwe plek.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen (onderzoek naar camerabeelden) d.d. 3 juni 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700- 2019156368-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 11-15, met fotobijlage):
als relaas van de verbalisant [verbalisant 2] :
Ik deed onderzoek naar de camerabeelden van cameratoezicht (CTZ) opgenomen op 23 mei 2019.
Camerabestand B3051
Ik zag dat twee scooterrijders, komende uit de richting van de [b-straat] , in de richting van de [a-straat] reden. Ik zag dat de twee scooterrijders geen snelheid verminderden in vergelijking met de andere eerdere passanten. Ik zag dat scooter 1, met kenteken [kenteken 1] , op een zeer korte afstand van [slachtoffer] zijn scooter met een ruk naar links beweegt. Ik zag dat [slachtoffer] werd geraakt door de rechter achteruitkijkspiegel van scooter 1. Ik zag dat [slachtoffer] snel haar arm terugtrekt. Ik zag dat beide scooters doorreden en zich niet kenbaar maakten bij [slachtoffer] .
4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019156368-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 17):
als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Het incident is vastgelegd op camerabeelden van cameratoezicht (CTZ). Op deze beelden is het kenteken te zien van de scooter welke [slachtoffer] aanreed. De scooter was gekentekend [kenteken 1] . Blijkens onderzoek naar het kenteken stond de scooter in de periode van 16-5-2019 tot en met 4-7-2019 op naam van [verdachte] .
5.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019156368-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 16):
als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Ik sprak met [betrokkene 1] en hij vertelde mij het volgende: 'ik stond te praten met een vrouwelijke agente. Zij werd zomaar uit het niets aangereden door een scooter. Ik zag dat de scooter hard tegen haar linker arm aan reed. Ik zag dat omdat haar gehele arm hard omhoog ging. Ik hoorde de agente zeggen dat zij pijn had en ik zag dit aan haar gezicht.'
6.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 augustus 2019, van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2D19156368-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - de verklaring van de verdachte (blz. 20 e.v., met fotobijlage):
Het klopt dat ik vanaf 16-5-2019 tot en met 4-7-2019 de eigenaar was van de scooter met kenteken [kenteken 1] . Wat gebeurde er precies op 23 mei 2019? Ik weet het niet precies. We reden voorbij. En opeens schreeuwde die vrouwelijke agente iets naar ons. Ze deed haar arm omhoog en toen zijn we weer verder gereden. De vrouw zei iets van godverdomme en toen staken wij onze hand op zo van "sorry" en reden door.”
2.4
Het bestreden arrest bevat voorts de volgende bewijsoverweging:
“Bewijsoverweging
De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit omdat zijn cliënt niet wist en niet kon vermoeden dat sprake was van een ongeval met letsel. Hij heeft daartoe – kortgezegd – aangevoerd dat zijn cliënt geen klap heeft gevoeld en dat hij in de veronderstelling was dat de verbalisant boos was omdat hij met zijn scooter dicht langs haar reed. De verbalisant zou bovendien niet op enige andere wijze kenbaar hebben gemaakt dat zij door hem was aangereden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen (PL1700-2019156368-6) is op de camerabeelden het volgende vastgelegd. Op 23 mei 2019 kwam de verdachte in Rotterdam vanuit de [b-straat] , in de richting van de [a-straat] op het fietspad aanrijden op zijn scooter waar hij – in tegenstelling tot de andere weggebruikers – geen vaart minderde toen dat hij verbalisant [slachtoffer] naderde. Op het moment dat de verdachte op zeer korte afstand [slachtoffer] was genaderd, bewoog hij met een ruk zijn scooter naar links, waarna [slachtoffer] haar arm snel terug trok. De verdachte is vervolgens op zijn scooter doorgereden. Dat de verdachte [slachtoffer] daadwerkelijk heeft geraakt, volgt (ook) uit het letsel aan de onderzijde van de linkerelleboog van [slachtoffer] (PL1700-2019156368-2) en de verklaring van getuige [betrokkene 1] (PL1700-2019156368-7) die verklaart te hebben waargenomen dat de verdachte met zijn scooter hard tegen de linkerarm van [slachtoffer] aan reed en dat haar arm hard omhoog ging.
Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte heeft gemerkt dat hij met zijn scooter tegen [slachtoffer] is aangereden. Daarbij heeft hij in de geschetste omstandigheden van het geval redelijkerwijs moeten vermoeden dat [slachtoffer] letsel was toegebracht. Het hof acht het tenlastegelegde derhalve bewezen.”
2.5
Blijkens de toelichting klaagt het middel in het bijzonder over het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte heeft gemerkt dat hij met zijn scooter tegen de aangeefster is aangereden. Dat oordeel zou “onvoldoende althans onbegrijpelijk gemotiveerd” zijn, “in ogenschouw nemende dat verzoeker heeft verklaard dat hij geen aanraking of klap heeft gevoeld, dat aangeefster tegen verzoeker niet heeft gezegd of geroepen dat ze was geraakt noch dat ze hem heeft gewenkt om terug te komen en dat getuige [betrokkene 1] niet heeft verklaard een klap te hebben gehoord.”
2.6
Uit de bewijsvoering volgt dat (i) de verdachte zijn scooter naar links stuurt terwijl hij ter hoogte van de aangeefster rijdt en haar met de rechter spiegel van zijn scooter raakt, dat (ii) de aangeefster heeft verklaard dat “het een harde klap [was]” en dat “de jongen die mij aanreed voorbij reed omkeek en begon te lachen”, dat (iii) getuige [betrokkene 1] heeft gezien dat de scooter “hard tegen haar [ik begrijp: de aangeefsters, MvW] linker arm aan reed”, dat “haar gehele arm hard omhoog ging” en dat hij aan haar gezicht zag dat zij pijn had, dat (iv) de aangeefster na de vermeende aanrijding een blauwe plek van ongeveer 3 à 4 centimeter en een lichte zwelling op haar linkerelleboog had en dat (v) de verdachte heeft verklaard dat hij voorbijreed en dat de aangeefster “iets van godverdomme [zei]” en de verdachte toen zijn hand opstak “zo van “sorry””. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte heeft gemerkt dat hij met zijn scooter tegen de aangeefster is aangereden en redelijkerwijs moest vermoeden dat aangeefster letsel was toegebracht, acht ik geenszins onbegrijpelijk. De bewijsvoering van het hof houdt immers in dat de verdachte met zijn scooter is uitgeweken, er vervolgens sprake was van een harde klap, de arm van de aangeefster daardoor een duidelijk zichtbare beweging maakte, de aangeefster vloekte en de verdachte blijkens zijn verklaring daarna aanleiding heeft gezien om een excuusgebaar te maken.
2.7
Het middel faalt.

Het tweede middel

3.
3.1
Het middel klaagt dat het hof bij de strafoplegging in strijd met art. 354a lid 2 Sv geen rekening heeft gehouden met de door de verdachte reeds gedane betalingen in het kader van de eerder aan hem opgelegde – en bij het bestreden arrest vernietigde – strafbeschikking. Het hof heeft de niet volledige tenuitvoerlegging van de strafbeschikking uitsluitend relevant geacht voor het bepalen van de strafmodaliteit, terwijl deze volgens de steller van het middel tot strafvermindering hadden moeten leiden.
3.2
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

Strafmotivering
(…)
De verdediging heeft verzocht bij de strafbepaling op grond van artikel 354a Sv rekening te houden met de reeds gedeeltelijk betaalde strafbeschikking en dat gedeelte in mindering te brengen bij de op te leggen geldboete en de geldboete voor het overige voorwaardelijk op te leggen.
Het hof constateert dat aan de verdachte oorspronkelijk een strafbeschikking is opgelegd van € 500,- waarbij was overeengekomen dat die in vijf gelijke termijnen mocht worden betaald. Tegen de strafbeschikking is geen verzet aangetekend, maar de tenuitvoerlegging is gedeeltelijk onvoltooid gebleven nu in totaal slechts € 303,54 is betaald. Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie besloten de verdachte te dagvaarden.
De strekking van artikel 354a Sv is dat nu de oorspronkelijk opgelegde straf niet ten uitvoer kon worden gelegd, daarmee door de strafrechter rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de strafmodaliteit. Door de raadsman is naar voren gebracht dat de verdachte geen werk of inkomen heeft. Het hof is van oordeel dat niet met een deels voorwaardelijke geldboete kan worden volstaan zoals voorgesteld door de raadsman en dat ook met de eis van de advocaat-generaal onvoldoende recht wordt gedaan aan dit feit.
Nu niet gebleken is dat de verdachte over een inkomen beschikt, zal het hof aan de verdachte in plaats van de overwogen geldboete van € 1.000,- een taakstraf opleggen van 40 uur.
Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) gaat over de afwikkeling van de door de verdachte in het kader van de eerder aan hem opgelegde - en bij dit arrest vernietigde - strafbeschikking betaalde bedragen.
3.3
Art. 354a lid 2 Sv luidt als volgt:
“Indien de strafbeschikking reeds geheel of ten dele ten uitvoer is gelegd, dan houdt de rechtbank daar bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel rekening mee.”
3.4
Allereerst dient te worden opgemerkt dat art. 354a Sv – dat volgens de tekst van die bepaling betrekking heeft op de rechtbank – is uitgezonderd van de wetsbepalingen die door art. 415 lid 1 Sv Pro van overeenkomstige toepassing worden verklaard op het rechtsgeding voor het gerechtshof. Zoals ook Corstens, Borgers en Kooijmans schrijven, ligt die uitzondering echter niet voor de hand. [1] De relevantie voor de strafoplegging door een hof is immers even groot als voor de strafoplegging door een rechtbank. [2] In dat kader is van belang dat art. 355 Sv Pro en art. 354 Sv Pro reeds in 1940 [3] respectievelijk 1963 [4] van de opsomming in art. 415 Sv Pro werden uitgesloten, zodat met die wetswijzigingen niet langer de artikelen “(…) 315 – 366”, maar de artikelen “(…) 315 – 353 en 356 – 366” in appel van overeenkomstige toepassing werden verklaard. Dat art. 354a Sv, dat pas tientallen jaren later werd ingevoerd, [5] daarmee ook buiten het bereik van de schakelbepaling kwam te vallen, lijkt door de wetgever destijds niet onder ogen te zijn gezien en wordt in het voorstel voor het gemoderniseerde wetboek ongedaan gemaakt. [6] Het moet er mijns inziens dan ook voor worden gehouden dat het bepaalde in art. 354a lid 2 Sv ook voor het gerechtshof heeft te gelden. Dat standpunt was het hof in de onderhavige zaak kennelijk ook toegedaan.
3.5
Het hof heeft overwogen dat “de strekking van art. 354a Sv is dat nu de oorspronkelijk opgelegde straf niet ten uitvoer kon worden gelegd, daarmee door de strafrechter rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de strafmodaliteit” en dat “nu niet gebleken is dat de verdachte over een inkomen beschikt, het hof aan de verdachte in plaats van de overwogen geldboete van € 1000,- een taakstraf [zal] opleggen van 40 uur.” Verder heeft het hof overwogen dat het CJIB zal zorgdragen voor de “afwikkeling van de door de verdachte in het kader van de eerder aan hem opgelegde - en bij dit arrest vernietigde - strafbeschikking betaalde bedragen.” Gelet op de verwijzing naar de vernietiging van de strafbeschikking, begrijp ik dat het hof met “afwikkeling” bedoelt dat de door verdachte betaalde bedragen aan hem door het CJIB zullen worden terugbetaald. Daarmee komt het oordeel van het hof erop neer dat voor zijn strafoplegging wel van belang is dat niet de gehele in de strafbeschikking opgelegde boete is voldaan, maar niet dat wel degelijk betalingen zijn verricht. Het middel stelt de vraag aan de orde of het hof hiermee een juiste uitleg heeft gegeven aan art. 354a lid 2 Sv.
3.6
In het geval dat tegen een strafbeschikking geen verzet is ingesteld, deze geheel of gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd, de zaak desondanks aan de rechter wordt voorgelegd en deze tot een strafoplegging komt, kunnen zich in beginsel twee situaties voordoen. De rechter kan een straf opleggen die (deels) overeenkomt met de in de strafbeschikking bepaalde strafmodaliteit, vaak een geldboete of een taakstraf. De rechter kan echter ook komen tot een straf waarin de door de strafbeschikking bepaalde modaliteit niet voorkomt, naast een geldboete of taakstraf ook gevangenisstraf of hechtenis. Over deze twee situaties is het volgende te lezen in de memorie van toelichting bij de wet waarmee het instrument strafbeschikking is opgenomen in het Wetboek van Strafvordering (de Wet OM-afdoening):
“Wordt de verdachte gedagvaard omdat de strafbeschikking niet ten uitvoer is gelegd, dan is de strafbeschikking ingevolge het voorgestelde derde lid niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar. De tenuitvoerlegging die reeds is aangevangen, wordt geschorst. De strafrechter beoordeelt de strafzaak in dit geval, net als thans, op basis van de artikelen 348 en 350 Sv. Niet de strafbeschikking staat centraal, al kan deze – net als thans een mislukt transactieaanbod – wel een rol spelen. Zo kan de omstandigheid dat de verdachte een opgelegde geldboete niet heeft kunnen betalen of een opgelegde taakstraf niet heeft willen voltooien, van belang zijn bij de keuze van de strafsoort door de strafrechter. De strafrechter is echter in geen enkel opzicht door de strafbeschikking gebonden: hij komt zelfstandig tot een oordeel over de merites van de zaak.” [7]
“Vervolgens wordt vastgelegd dat in het geval de strafbeschikking reeds geheel of gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd, de rechtbank daar bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel rekening mee houdt. Deze formulering («rekening houden met») komt ook voor in artikel 24 Sr Pro. Onder omstandigheden kan het in de rede liggen dat in het vonnis ook aangegeven wordt op welke wijze bij het bepalen van de straf of maatregel met het ten uitvoer gelegde deel van een eerdere strafbeschikking rekening is gehouden. Als de verdachte reeds een deel van een opgelegde taakstraf heeft vervuld, en de rechtbank slechts een geldboete oplegt, zal nadere uitleg bijvoorbeeld veelal op zijn plaats zijn, mede omdat de verdachte in dat geval niet gecompenseerd wordt. Deze regeling van het tweede lid sluit aan bij de bestaande situatie. Als de verdachte gedeeltelijk voldoet aan een transactieaanbod, vervalt het vervolgingsrecht van het OM niet. Het is vervolgens aan de strafrechter, in hoeverre hij rekening wil houden met hetgeen de verdachte reeds heeft verricht ter voldoening aan het transactieaanbod. Aangetekend zij daarbij nog dat dit wetsvoorstel in zoverre wel een wijziging brengt, dat datgene wat ter uitvoering van een vernietigde strafbeschikking is verricht of betaald, wordt aangemerkt als verricht of betaald ter uitvoering van overeenkomende straffen of maatregelen, waartoe de verdachte veroordeeld wordt in het vonnis of arrest waarin de strafbeschikking wordt vernietigd.
(…)
Het OM merkt in zijn advies op dat het in het concept-wetsvoorstel opgenomen artikel 354 Sv Pro het mogelijk zou maken dat de verdachte die aanvankelijk met een taakstraf heeft ingestemd, later schadevergoeding krijgt wanneer de rechter geen straf of maatregel oplegt nadat de zaak op de zitting is gebracht omdat de taakstraf niet «volledig) is uitgevoerd. Deze opmerking hing samen met een in het in consultatie gegeven concept-wetsvoorstel in dit artikel opgenomen voorschrift behelzend dat de rechtbank, als geen straf of maatregel wordt opgelegd, aangeeft of, en zo ja op welke wijze, in teruggave of vergoeding dient te worden voorzien. Mede naar aanleiding van deze opmerking van het OM is dit voorschrift uiteindelijk niet in het wetsvoorstel opgenomen. Het behoort tot de taak van het OM, het rechterlijk vonnis ten uitvoer te leggen en daarbij rekening te houden met hetgeen verricht en betaald is in verband met een bij dat vonnis vernietigde strafbeschikking. Zoals aangegeven wordt daarbij datgene wat ter uitvoering van een vernietigde strafbeschikking is verricht of betaald, aangemerkt als verricht of betaald ter uitvoering van overeenkomende straffen of maatregelen, waartoe de verdachte veroordeeld wordt in het vonnis of arrest waarin de strafbeschikking wordt vernietigd. Dat is niets nieuws: ook als een in eerste aanleg uitgesproken vonnis reeds partieel ten uitvoer is gelegd alvorens daartegen appel wordt ingesteld (vgl. artikel 557, tweede lid, Sv), wordt datgene wat reeds verricht of betaald is, aangemerkt als verricht of betaald ter uitvoering van overeenkomende straffen of maatregelen, waartoe de verdachte veroordeeld wordt in het arrest waarin dat vonnis wordt vernietigd. Indien de rechter lagere straffen oplegt, of de verdachte vrijspreekt, kan dat voor het OM voorts reden zijn om het teveel betaalde terug te geven. Tegelijkertijd geldt evenwel dat er geen reden en derhalve ook geen rechtsplicht is om in gevallen waarin de rechter andere straffen oplegt dan de strafbeschikking bevatte, tot vergoeding aan de verdachte over te gaan. De verdachte die geen verzet heeft ingesteld tegen een strafbeschikking, doch slechts gedeeltelijk aan de strafbeschikking heeft voldaan, heeft geen recht op schadevergoeding.” [8]
3.7
Dat de omstandigheid dat de verdachte een opgelegde geldboete niet heeft kunnen betalen van belang kan zijn bij de keuze van de strafmodaliteit door de rechter, is volgens de memorie van toelichting bij de wet dus op zichzelf juist. De strekking van art. 354a lid 2 Sv is echter anders: met die bepaling wordt beoogd dat de rechter bij het bepalen van de op te leggen straf rekening houdt met het reeds ten uitvoer gelegde deel van de strafbeschikking als zodanig. Of in de woorden van Corstens, Borgers en Kooijmans: “Als de zittingsrechter een straf of maatregel oplegt, moet hij rekening houden met de strafbeschikking voor zover die al geheel of gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd.” [9] Ook uit de tekst van art. 354a lid 2 Sv kan worden afgeleid dat de onder 3.5 weergegeven uitleg van het hof niet de juiste is. Daarin komt expliciet tot uitdrukking dat de bepaling tevens betrekking heeft op gevallen waarin de strafbeschikking reeds “geheel” ten uitvoer is gelegd (waarbij gedacht moet worden aan gevallen waarin strafvervolging is ingesteld op grond van een daartoe strekkend bevel van het gerechtshof (art. 12i Sv)); [10] de door het hof gegeven uitleg gaat in die gevallen niet op.
3.8
In de situatie waarin de rechter een overeenkomende straf of maatregel oplegt, levert de eerdere (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de strafbeschikking geen problemen op. In die gevallen geldt immers dat “datgene wat ter uitvoering van een vernietigde strafbeschikking is verricht of betaald, [wordt] aangemerkt als verricht of betaald ter uitvoering van overeenkomende straffen of maatregelen, waartoe de verdachte veroordeeld wordt in het vonnis of arrest waarin de strafbeschikking wordt vernietigd.” [11] Het behoort vervolgens tot de taak van de bevoegde tenuitvoerleggingsinstantie om daarmee bij de tenuitvoerlegging van het rechterlijk vonnis rekening te houden. [12]
3.9
In het verlengde hiervan voorziet de wet in een specifieke regeling voor het geval dat voor het verhaal van een bij strafbeschikking opgelegde boete gijzeling is toegepast (art. 6:6:25 Sv Pro), terwijl de rechter daarna alsnog een gevangenisstraf, hechtenis of taakstraf oplegt. Art. 27 lid 1 Sr Pro bepaalt dat de rechter dan beveelt dat de tijd die in gijzeling is doorgebracht bij de uitvoering van die straf in mindering wordt gebracht. Eenzelfde soort regeling is er ook voor het geval de rechter na de gijzeling wegens niet-betaling van de strafbeschikking een geldboete met vervangende hechtenis oplegt. Volgens art. 6:4:7 lid 3 Sv Pro wordt de tijd die in gijzeling is doorgebracht in mindering gebracht op de vervangende hechtenis.
3.1
In die gevallen vervult art. 354a lid 2 Sv aldus slechts een beperkte functie: het rekening houden met het ten uitvoer gelegde deel van de strafbeschikking vindt de facto plaats bij de tenuitvoerlegging van de door de rechter opgelegde straf en niet zozeer bij het bepalen daarvan.
3.11
Legt de rechter echter geen overeenkomende straf op, maar bijvoorbeeld een geldboete terwijl de strafbeschikking een taakstraf bevatte, dan noopt art. 354a lid 2 Sv ertoe dat de rechter de door de verdachte reeds verrichte uren taakstraf in zijn oordeel over de straf betrekt en ook in de strafmotivering tot uitdrukking brengt op welke wijze bij het bepalen van de straf of maatregel daarmee rekening is gehouden. In de hiervoor aangehaalde memorie van toelichting wordt het voorbeeld gegeven van een bij strafbeschikking opgelegde taakstraf die maar deels is vervuld, waarna de rechter alsnog een boete oplegt. In dat geval zou nadere uitleg op zijn plaats zijn over hoe de rechter bij het bepalen van de boete rekening heeft gehouden met de reeds gewerkte uren.
3.12
Maar wat nu in een geval als het onderhavige waarin de strafbeschikking een geldboete bevatte en de rechter een andere straf(soort) oplegt? Aanknopingspunten voor de veronderstelling van het hof dat de in het kader van de strafbeschikking betaalde bedragen in dat geval aan de verdachte worden terugbetaald, zijn niet eenvoudig te vinden. De memorie van toelichting houdt over een dergelijke terugbetaling slechts in dat “indien de rechter lagere straffen oplegt, of de verdachte vrijspreekt, dat voor het OM (…) reden [kan] zijn om het teveel betaalde terug te geven”. En direct daaropvolgend: “Tegelijkertijd geldt evenwel dat er geen reden en derhalve ook geen rechtsplicht is om in gevallen waarin de rechter
anderestraffen oplegt dan de strafbeschikking bevatte, tot vergoeding aan de verdachte over te gaan” (cursivering toegevoegd, MvW). Of onder ‘vergoeding’ ook ‘terugbetaling’ moet worden verstaan, wordt daarin niet duidelijk.
3.13
Verder ontbreekt hier een expliciete wettelijke regeling zoals die er wel is voor gevallen waarin na voldoening aan transactievoorwaarden strafvervolging wordt ingesteld op grond van een daartoe strekkend bevel van het gerechtshof (art. 12i Sv). Het tweede lid van art. 74b Sv bepaalt, kort gezegd, dat in het kader van die transactievoorwaarden betaalde geldbedragen onverwijld aan de verdachte worden terugbetaald.
3.14
Een dergelijke terugbetalingsplicht zou mijns inziens ook niet goed passen bij het regiem van art. 354a lid 2 Sv, waarin het rekening houden met het ten uitvoer gelegde deel van de strafbeschikking uitdrukkelijk bij de rechter is neergelegd. Bij dat rekening houden zou bij het bestaan van een terugbetalingsplicht in een geval als het onderhavige voor de rechter immers nu juist geen rol zijn weggelegd: indien de in het kader van de strafbeschikking betaalde bedragen zonder meer aan de verdachte zouden worden terugbetaald, dan zou de rechter met die betaalde bedragen bij het bepalen van de straf ook geen rekening meer hoeven te houden. Art. 354a lid 2 Sv zou daarmee voor een groot deel aan betekenis verliezen, zeker omdat de in die bepaling omschreven rol van de rechter in gevallen waarin overeenkomende straffen of maatregelen worden opgelegd reeds beperkt is. Als gezegd worden overeenkomende straffen of maatregelen bij de tenuitvoerlegging daarvan immers als het ware verrekend met het ten uitvoer gelegde deel van de eerdere strafbeschikking, hetgeen op zichzelf ook overigens met het bestaan van een terugbetalingsplicht niet goed samen lijkt te gaan.
3.15
De in art. 354a lid 2 Sv neergelegde voorziening dat door de rechter bij het bepalen van de straf rekening wordt gehouden met het ten uitvoer gelegde deel van de eerdere strafbeschikking lijkt dan ook bij uitstek van betekenis te zijn in gevallen als het onderhavige, waarin door de rechter een andere straf(soort) passend wordt geacht en verrekening bij de tenuitvoerlegging derhalve niet mogelijk is. Daarmee gaat het om een soortgelijke bepaling als art. 74b lid 3 Sv. Uit die bepaling volgt dat in gevallen waarin de verdachte ter voorkoming van strafvervolging transactievoorwaarden zijn gesteld en alsnog strafvervolging wordt ingesteld omdat slechts aan een deel van die voorwaarden is voldaan, de rechter bij de straftoemetingsbeslissing met dat deel rekening zal behoren te houden. Hetzelfde geldt voor het geval alsnog strafvervolging wordt ingesteld na het verrichten van een HALT-project (art. 77e lid 5 Sv).
3.16
Het bovenstaande brengt met zich dat het hof mijns inziens de betaling van € 303,54, gedaan in verband met het feit waarvoor het hof de verdachte heeft veroordeeld, als een relevante factor in zijn straftoemeting had moeten betrekken. Ik verwijs hierbij nog eens naar de geciteerde memorie van toelichting, waarin staat dat de term “rekening houden” in dezelfde zin is gebruikt als in art. 24 Sr Pro. Dit artikel draagt de rechter ook op een bepaalde omstandigheid, in dat geval de financiële draagkracht van een verdachte, in het bepalen van de strafmaat te betrekken. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de betaling als zodanig niet in de afweging hoeft te worden betrokken en dat art. 354a lid 2 Sv enkel ziet op het feit dat de strafbeschikking niet geheel ten uitvoer is gelegd, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, is de strafmotivering van het hof niet begrijpelijk. In zijn overweging dat “het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) gaat over de afwikkeling van de door de verdachte in het kader van de eerder aan hem opgelegde – en bij dit arrest vernietigde – strafbeschikking betaalde bedragen” ligt immers besloten dat het hof met de betaling van € 303,54 geen rekening heeft gehouden.
3.17
Het middel slaagt.

Afronding

4.
4.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
4.2
Ambtshalve merk ik nog op dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep op 28 januari 2022, zodat de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden. [13] Indien de Hoge Raad mij niet volgt in de conclusie dat het tweede middel slaagt, kan met de enkele constatering van die overschrijding worden volstaan, nu aan de verdachte een taakstraf is opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte minder beloopt dan honderd uren. [14]
4.3
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag om in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlandse Strafprocesrecht, tiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1007.
2.Nog daargelaten dat het ook bij de afdoening van de zaak door een hof van belang is dat de strafbeschikking wordt vernietigd, zoals het eerste lid van 354a Sv voorschrijft, en niet naast het arrest van het hof blijft bestaan.
3.Wet van 29 november 1935,
4.Wet van 20 november 1963,
5.Wet van 7 juli 2006,
9.Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlandse Strafprocesrecht, tiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 983.
10.Zie hierover M. Kessler, De strafbeschikking, tweede druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 82 en G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlandse Strafprocesrecht, tiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 983-984.
11.Zie voor de wijze waarop dit uitwerkt: M. Kessler, De strafbeschikking, tweede druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 82.
12.Zo ook de Aanwijzing om-strafbeschikking (Stct. 2022, 9133) onderdeel 4.2 over het voorbeeld van een deels betaalde bij strafbeschikking opgelegde boete: “Indien reeds een gedeeltelijke betaling heeft plaatsgevonden, wordt deze in de uitvoering door het CJIB in mindering gebracht op de door de rechter opgelegde straf. De officier van justitie verdisconteert het reeds voldane bedrag dus niet in zijn eis.”
13.Vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1304, rov. 3.5.
14.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2, onderdeel C.