ECLI:NL:HR:2023:1120
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing bedrijfsopvolgingsregeling op ondernemingsvermogen bij erfbelasting
Belanghebbende erfde samen met vier anderen aandelen in meerdere vennootschappen die zich bezighouden met projectontwikkeling en verhuur van onroerende zaken. Het geschil betrof de vraag of de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van toepassing is op de volledige waarde van de aandelen, inclusief de verhuurde panden.
Het hof oordeelde dat de activiteiten van projectontwikkeling en verhuur niet zodanig verweven zijn dat zij als één onderneming moeten worden beschouwd, en beperkte de BOR tot het vermogen toe te rekenen aan projectontwikkelingsactiviteiten. De Hoge Raad verwees eerder de zaak terug voor nader onderzoek naar welke panden redelijkerwijs aan die activiteiten kunnen worden toegerekend.
Het hof stelde dat verhuurde panden, behalve een voormalig kantoorpand, niet aan de projectontwikkelingsactiviteiten konden worden toegerekend omdat zij een product van de onderneming zijn en niet ten behoeve van de materiële onderneming werden gebruikt. Belanghebbende betoogde dat deze panden tot het ondernemingsvermogen behoren op grond van het Pottenbakkersarrest.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit betoog ten onrechte heeft verworpen en vernietigt het hofarrest, met uitzondering van proceskosten en griffierecht. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling op het ondernemingsvermogen.