ECLI:NL:HR:2023:1118
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing bedrijfsopvolgingsregeling op ondernemingsvermogen bij erfbelasting
Belanghebbende is erfgenaam van een nalatenschap met certificaten van aandelen in meerdere vastgoedvennootschappen. Het geschil betreft de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) op de waarde van deze aandelen, specifiek of verhuurde panden volledig tot het ondernemingsvermogen behoren.
Het hof oordeelde dat de projectontwikkelingsactiviteiten en verhuuractiviteiten niet als één onderneming kunnen worden beschouwd en beperkte de BOR tot het vermogen dat aan projectontwikkeling kan worden toegerekend. De Hoge Raad verwees eerder de zaak terug voor nader onderzoek welke panden redelijkerwijs aan de projectontwikkelingsactiviteiten kunnen worden toegerekend.
In het bestreden arrest handhaafde het hof de beperkte toerekening van panden, waarbij verhuurde panden niet tot het ondernemingsvermogen werden gerekend omdat zij een product van de onderneming zijn en niet ten behoeve van de materiële onderneming worden gebruikt. De Hoge Raad volgt dit oordeel niet en verwijst de zaak terug naar het hof met instructies om rekening te houden met de jurisprudentie over de omvang van het ondernemingsvermogen.
De Hoge Raad verklaart het principale cassatieberoep ongegrond, het incidentele beroep van de Staatssecretaris gegrond, vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing in lijn met dit arrest.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofarrest en verwijst zaak terug voor herbeoordeling van de toerekening van panden aan het ondernemingsvermogen voor de BOR.