Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
7 juli 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of het financieringsvoorbehoud bij de koop van een woning terecht was ingeroepen en in hoeverre een contractuele boete gematigd kon worden tot de omvang van de schade. De procedure begon bij de rechtbank Oost-Brabant met vonnissen in 2019 en 2020, waarna het gerechtshof 's-Hertogenbosch in 2021 en 2022 arresten wees. De eisers stelden cassatieberoep in tegen het laatste arrest van het hof.
De Hoge Raad heeft de klachten van de eisers beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij heeft de Hoge Raad geen nadere motivering gegeven omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep is verworpen en de eisers zijn veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die nihil zijn vastgesteld aan de zijde van de verweerders. Hiermee is het oordeel van het hof bekrachtigd dat het financieringsvoorbehoud terecht was ingeroepen en dat de matiging van de contractuele boete correct is toegepast op grond van artikel 6:94 BW Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.