ECLI:NL:HR:2022:792

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2022
Publicatiedatum
27 mei 2022
Zaaknummer
21/03699
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over loonheffing en premie Zorgverzekeringswet augustus 2018

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 juli 2021 beroep in cassatie ingesteld inzake een van hem ingehouden bedrag aan loonheffing en premie Zorgverzekeringswet over het tijdvak augustus 2018.

De Hoge Raad heeft het ingediende middel beoordeeld en geoordeeld dat dit middel niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van het hof. Daarbij was het niet nodig om motivering te geven, omdat het middel geen vragen opriep die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Hiermee wordt het oordeel van het hof bekrachtigd, waarmee het geschil over de loonheffing en premie Zorgverzekeringswet definitief is beslecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/03699
Datum27 mei 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 juli 2021, nr. 20/00351 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/1936) betreffende een van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonheffing en premie Zorgverzekeringswet over het tijdvak augustus 2018.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door P. Koch en M.J. van Dieren, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat dit middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2022.