ECLI:NL:HR:2022:746

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2022
Publicatiedatum
19 mei 2022
Zaaknummer
21/02044
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende heeft een beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Voor het instellen van het beroep was griffierecht verschuldigd. Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan en daartoe een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen en een betalingsspecificatie van een nabestaandenuitkering overgelegd.

De griffier van de Hoge Raad heeft een inkomensverklaring opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand en belanghebbende in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Op grond van de verstrekte gegevens kon niet worden geconcludeerd dat aan de criteria voor betalingsonmacht was voldaan, zodat het griffierecht geheven moest worden.

Na meerdere aanmaningen en pogingen om belanghebbende te bereiken, bleef betaling uit. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde gronden geen reden geven om te concluderen dat belanghebbende niet in verzuim is. Het beroep in cassatie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Dit arrest is vastgesteld door de vice-president en raadsheren in de raadkamer en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2022.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/02044
Datum24 juni 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 5 maart 2021, nr. SGR 20/3024 V.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen aan de Hoge Raad geretourneerd en daarbij een betalingsspecificatie van de Svb inzake een nabestaandenuitkering Anw in de maand juni 2021 overgelegd. Vervolgens heeft de griffier bij de Raad voor Rechtsbijstand een inkomensverklaring opgevraagd. Na ontvangst daarvan is belanghebbende in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
Bij brief van 20 september 2021 is aan belanghebbende meegedeeld dat aan de hand van de door haar verstrekte gegevens, de hiervoor genoemde inkomensverklaring en de nadien van haar ontvangen reactie niet kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de criteria voor betalingsonmacht en dat daarom niet kan worden afgezien van het heffen van griffierecht. Tevens is daarin meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie nietontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 22 september 2021 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna adresverificatie heeft plaatsgevonden en het stuk bij gewone brief is verzonden naar het adres van belanghebbende. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 21 oktober 2021 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. De Hoge Raad is van oordeel dat hetgeen belanghebbende in haar door de Hoge Raad op 29 oktober 2021 ontvangen brief aanvoert, geen grond vormt voor het oordeel dat belanghebbende met het achterwege laten van betaling van griffierecht niet in verzuim is. In het bijzonder kan niet aan de hand van de in cassatie overgelegde gegevens worden geconcludeerd dat heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor belanghebbende onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om beroep in cassatie in te stellen. [1]
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, in de raadkamer van 11 mei 2022 en op 24 juni 2022 in het openbaar uitgesproken.