ECLI:NL:HR:2022:31

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
17 januari 2022
Zaaknummer
20/02580
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 lid 2 SrArt. 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag
Verwijzingen
10 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering niet-ontvankelijkverklaring OM op grond van Vluchtelingenverdrag

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd vervolgd voor het opzettelijk gebruik van een vals Pools rijbewijs. De verdachte voerde in hoger beroep een verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 31 lid 1 van Pro het Vluchtelingenverdrag.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet toereikend heeft gereageerd op dit verweer. Volgens eerdere jurisprudentie had het hof het verweer slechts mogen verwerpen indien onverwijld en zonder nader onderzoek kon worden vastgesteld dat de verdachte geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het hof volstond met de summiere overweging dat een situatie als bedoeld in artikel 31 lid 1 zich Pro niet voordeed, zonder de noodzakelijke motivering.

Gezien de verklaring van de verdachte en zijn verblijf in een asielzoekerscentrum acht de Hoge Raad de motivering van het hof ontoereikend. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting en afdoening.

Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 18 januari 2022.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02580
Datum18 januari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 augustus 2020, nummer 22-005692-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.M. Penn, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof niet toereikend heeft gereageerd op het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op grond van artikel 31 lid 1 van Pro het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 en 1954, 88).
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 januari 2022.