Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 februari 2022.
Hoge Raad
Verhuurder verhuurde sinds 1 juli 2015 een woning aan huurder met een huurovereenkomst die inmiddels voor onbepaalde tijd gold. Verhuurder zegde de overeenkomst op wegens dringend eigen gebruik per 1 juni 2017, omdat hij de woning zelf wilde bewonen na beëindiging van zijn relatie. Huurder stemde niet in met beëindiging.
De kantonrechter oordeelde dat verhuurder dringend eigen gebruik aannemelijk had gemaakt, maar dat niet was bewezen dat huurder passende vervangende woonruimte kon vinden. Daarom werd de huurovereenkomst verlengd tot 29 maart 2019. Het hof bekrachtigde dit oordeel en overwoog dat de huurovereenkomst niet langer zou voortduren dan tot die datum.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat het hof onjuist had geoordeeld dat de huurovereenkomst na de verlenging van bepaalde tijd van rechtswege eindigt en dat de rechter niet het einde van de huurovereenkomst vóór zijn uitspraak kan vaststellen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.
De Hoge Raad reserveerde de beslissing over de kosten van het cassatieproces en begrootte de kosten aan de zijde van verhuurder. De uitspraak benadrukt de juiste toepassing van art. 7:273 lid 2 BW Pro en art. 7:277 lid 2 BW Pro bij verlenging van huurovereenkomsten wegens dringend eigen gebruik.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.