In deze zaak gaat het om beslag op een iPad en notitieblokken tijdens een bezoek van de klager aan zijn cliënt in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught, alsmede op digitale gegevensdragers in het voormalige kantoor, woning en auto van de klager. De verdenking betreft deelname aan een crimineel samenwerkingsverband en ernstige strafbare feiten.
De rechter-commissaris had het regime van 'zeer uitzonderlijke omstandigheden' toegepast, waardoor het verschoningsrecht van de advocaat werd doorbroken ten behoeve van waarheidsvinding. De rechtbank verklaarde het klaagschrift van de klager ongegrond en oordeelde dat de beslaglegging en kennisneming van de stukken gerechtvaardigd waren.
De Hoge Raad overweegt dat het verschoningsrecht niet absoluut is, maar dat bij zeer uitzonderlijke omstandigheden het belang van waarheidsvinding kan prevaleren. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat de rechter-commissaris eerst moet beslissen over het beroep op het verschoningsrecht voor alle inbeslaggenomen stukken. Omdat de rechter-commissaris ten tijde van de behandeling van het klaagschrift nog niet definitief had beslist over alle stukken, had de rechtbank de behandeling moeten aanhouden en de zaak aan de rechter-commissaris moeten voorleggen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de beschikking dat betrekking heeft op de overige inbeslaggenomen voorwerpen anders dan de iPad en notitieblokken uit de EBI, wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en verwerpt het beroep voor het overige.