ECLI:NL:HR:2022:172
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake vennootschapsbelasting navorderingsaanslagen
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in hoger beroep gegaan tegen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting en heffingsrente over de jaren 2011 tot en met 2014. Het Gerechtshof Den Haag had deze aanslagen bevestigd. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft de middelen van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad hoefde geen inhoudelijke motivering te geven omdat de zaak niet van belang is voor de rechtsontwikkeling of rechtsuniformiteit.
Belanghebbende klaagde ook over de hoogte van het griffierecht, stellende dat de zaken samenhangende besluiten vormden en dat het griffierecht onterecht per zaak was geheven. Dit betoog werd verworpen omdat de aanslagen niet in een zodanig nauw verband staan dat sprake is van samenhangende besluiten. Ook het beroep op betalingsonmacht werd afgewezen omdat belanghebbende niet had aangetoond dat zij of haar betrokken natuurlijke personen niet in staat waren het griffierecht te voldoen.
De Hoge Raad zag geen aanleiding tot restitutie van het griffierecht of veroordeling in proceskosten en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het arrest van het Gerechtshof Den Haag.