ECLI:NL:HR:2022:1677

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2022
Publicatiedatum
16 november 2022
Zaaknummer
21/05419
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel Gerechtshof over naheffingsaanslagen omzetbelasting 2009-2013

Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over naheffingsaanslagen omzetbelasting en bijbehorende heffings- en belastingrente over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013. Na eerdere procedures bij de Rechtbank Den Haag en het Gerechtshof Amsterdam, waarbij het Hof het geschil behandelde conform een eerder arrest van de Hoge Raad, werd het beroep in cassatie ingesteld tegen het Hof-arrest.

De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte klachten van belanghebbende niet ontvankelijk waren omdat zij nieuwe gronden betroffen die buiten de cassatietermijn waren voorgesteld. De Hoge Raad ging aan deze klachten voorbij en vond geen aanleiding om het arrest van het Hof te vernietigen. Tevens werd geen motivering gegeven omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling of -eenheid.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Hiermee bleef het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam in stand dat de naheffingsaanslagen en rente terecht waren opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/05419
Datum18 november 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 november 2021, nrs. 20/00800 tot en met 20/00802 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 16/2055 tot en met SGR 16/2057) betreffende aan belanghebbende over tijdvakken in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen heffingsrente en belastingrente.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2082, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, nrs. BK-16/00451 tot en met BK-16/00453 [2] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door [A], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Dit stuk bevat klachten die niet anders kunnen worden begrepen dan als nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde, gronden van het beroep in cassatie. De Hoge Raad gaat aan die klachten voorbij. [3]

3.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2022.

Voetnoten

3.HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1.