Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
8 november 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin verdachte werd bewezenverklaard van medeplegen van mensenhandel in een bar op Curaçao. De mensenhandel betrof het uitbuiten van vrouwen, zogenoemde trago-meisjes, die onder dwang en misbruik van hun kwetsbare positie werden gedwongen seksuele handelingen te verrichten.
Het hof stelde vast dat de verdachte samen met haar mededader de leiding had over de bar en de vrouwen onderhield in geïsoleerde omstandigheden met hoge schulden, strikte regels, boetes en toezicht via camera’s. De vrouwen werden onder druk gezet om zich te prostitueren om hun schulden af te lossen, terwijl zij geen werkvergunning hadden en weinig alternatieven hadden.
De Hoge Raad bevestigde dat voor de bewezenverklaring van mensenhandel op grond van artikel 2:239 SrC Pro niet vereist is dat het oogmerk van uitbuiting uit de bewijsvoering blijkt, maar dat uitbuiting als impliciet bestanddeel moet worden aangenomen. Het hof had dit oordeel voldoende gemotiveerd en het cassatieberoep werd verworpen.
De uitspraak benadrukt de aansluiting van de uitleg van artikel 2:239 SrC Pro bij de Nederlandse rechtspraak over artikel 273f Sr en bevestigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van medeplegers in mensenhandelzaken met uitbuiting zonder dat expliciet oogmerk bewezen hoeft te worden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bewezenverklaring van medeplegen mensenhandel met uitbuiting.