Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 25 november 2021 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over een boetebeschikking aan belanghebbende wegens het niet doen van aangifte.
De Hoge Raad heeft overwogen dat op grond van artikel 67d, lid 1, AWR een boete kan worden opgelegd indien het niet doen van aangifte aan opzet van de belastingplichtige is te wijten. Echter, het niet doen van aangifte kan alleen worden aangenomen als de belastingplichtige eerst is uitgenodigd tot het doen van aangifte, vervolgens de gestelde termijn heeft laten verstrijken en daarnaast geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om binnen een door de inspecteur gestelde termijn alsnog aangifte te doen na aanmaning.
De Hoge Raad bevestigt dat zonder een juiste aanmaning geen vergrijpboete kan worden opgelegd, ook niet als de belastingplichtige bekend was met zijn aangifteplicht en de termijn in de uitnodiging heeft laten verstrijken. Dit sluit aan bij eerdere jurisprudentie en de regeling omtrent verzuimboeten.
Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de Hoge Raad op 30 september 2022.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een vereiste aanmaning voor het opleggen van de vergrijpboete.