ECLI:NL:HR:2022:1282
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt eigenwoningregeling bij bouwkundig gesplitste woning met onverdeeld eigendom
In deze zaak stond centraal of een bouwkundig gesplitste woning, die onverdeeld eigendom is van meerdere partijen, kan worden aangemerkt als eigen woning voor het aandeel van 35 procent dat erflater en zijn echtgenote bezitten. De woning bestond uit twee delen die niet kadastraal waren gesplitst, waarbij het door erflater en zijn echtgenote bewoonde deel overeenkwam met hun eigendomspercentage.
De Inspecteur had het aandeel van 35 procent in de woning niet als eigen woning geaccepteerd en dit deel tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend. Het Hof Den Haag oordeelde echter dat het door erflater en zijn echtgenote bewoonde deel wel als eigen woning kon worden aangemerkt omdat de waardeontwikkeling van dat deel hen grotendeels aangaat, conform artikel 3.111, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het primaire en subsidiaire middel van de Staatssecretaris. De Hoge Raad overwoog dat bij een bouwkundig gesplitste woning zonder kadastrale splitsing de waardeontwikkeling van het bewoonde deel in beginsel volledig aan de bewoners kan worden toegerekend, tenzij er feiten of omstandigheden zijn die dit tegenspreken. De Staatssecretaris had dergelijke feiten niet aangevoerd.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbenden. Hiermee werd bevestigd dat het 35 procent deel van de woning als eigen woning geldt voor de inkomstenbelasting 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het bewoonde deel van de woning wordt als eigen woning aangemerkt.