ECLI:NL:HR:2021:878
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens niet volledig betaald griffierecht
Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende op de verschuldigdheid van het griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling. Het griffierecht werd echter niet volledig binnen deze termijn betaald.
De Hoge Raad gaf belanghebbende de gelegenheid om een verklaring te geven voor het niet volledig betalen van het griffierecht, maar de aangevoerde redenen waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen. De Hoge Raad benadrukte dat de gemachtigde of diens vennootschap niet als indiener van het beroepschrift wordt gezien, maar belanghebbende zelf, en dat het griffierecht daarom door belanghebbende verschuldigd is.
Ook werd geoordeeld dat het gelijktijdig instellen van cassatieberoepen tegen meerdere uitspraken niet leidt tot samenvoeging van deze uitspraken tot één uitspraak voor de toepassing van artikel 8:41 Awb Pro. Daarnaast is de griffier niet verplicht om een nieuwe termijn te stellen voor betaling van het resterende griffierecht als slechts een deel is voldaan.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en restitueerde het reeds betaalde griffierecht van € 32 aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet volledige betaling van het griffierecht.