Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor het besturen van een voertuig onder invloed van drugs. De verdachte had een bloedonderzoek ondergaan waarbij de bloedafname 11 minuten na de wettelijke termijn van 90 minuten plaatsvond. De verdediging stelde dat deze overschrijding tot bewijsuitsluiting moest leiden.
De Hoge Raad herhaalt dat de 90-minuten termijn is ingesteld om te voorkomen dat door tijdsverloop de concentratie van drugs in het bloed zodanig daalt dat een bestuurder onterecht vrijuit gaat. Deze termijn dient ook de efficiëntie van opsporingsinstanties en de bescherming van de verdachte tegen onnodige vrijheidsberoving. Echter, deze termijn is niet rechtstreeks verbonden aan de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek zelf.
Het hof had geoordeeld dat ondanks de overschrijding sprake was van een geldig onderzoek in de zin van artikel 8 lid 5 WVW Pro 1994. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de overschrijding niet leidt tot bewijsuitsluiting. De belangen die de termijn dient, zijn niet van dien aard dat het niet naleven ervan het onderzoek ongeldig maakt. Het beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de overschrijding van de 90-minuten termijn voor bloedafname niet leidt tot bewijsuitsluiting en verwerpt het cassatieberoep.