Uitspraak
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft op 16 oktober 2020 verzocht om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 20 oktober 2020 verzocht het daarvoor bestemde formulier binnen twee weken in te dienen. Dit formulier is niet tijdig ingediend, waarna de griffier de heffing van het griffierecht heeft voortgezet.
Vervolgens heeft de griffier belanghebbende bij aangetekende brief van 4 december 2020 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Volgens Track&Trace is deze brief afgeleverd op het opgegeven adres van belanghebbende, maar het griffierecht is niet voldaan.
Op 9 februari 2021 heeft de griffier belanghebbende in de gelegenheid gesteld om mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. De aangevoerde gronden in brieven van 16 oktober 2020 en 15 februari 2021 zijn onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 9 april 2021 in het openbaar gewezen door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.